Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
10-4799 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling recht op een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten: werkneemster 100% arbeidsongeschikt. Appellante is van mening dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zij derhalve op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er bij werkneemster geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarom is werkneemster terecht een IVA-uitkering geweigerd. Het was niet duidelijk of de belastbaarheid van werkneemster nog zou toenemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2013/5
USZ 2012/323 met annotatie van mr. A. Wit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4799 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juli 2010, 09/4394 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 28 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de werkneemster van appellante, [naam werkneemster] (werkneemster), op 7 september 2010 te kennen gegeven niet als partij aan het onderhavige geding te willen deelnemen en geen toestemming te verlenen om haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2012. Namens appellante zijn verschenen mr. Van Zijl en J.M.W.N. Derks, arts-gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1. Werkneemster is op 16 januari 2006 uitgevallen voor haar werk als administratief/secretarieel medewerkster wegens verschillende lichamelijke klachten. In verband met het volbrengen van de wettelijke wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is werkneemster op 1 november 2007 onderzocht door de verzekeringsarts L.M.J.H. Andriessen, die in haar rapport van 14 november 2007 heeft vastgesteld dat werkneemster als gevolg van haar klachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft zij weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts heeft zij in dit rapport de verwachting uitgesproken dat de belastbaarheid van werkneemster op termijn van een jaar nog aanzienlijk zal verbeteren. Vervolgens is de arbeidsdeskundige B.J. Pijffers in zijn rapport van 23 november 2007 tot de conclusie gekomen dat werkneemster niet meer geschikt is voor haar eigen werk. Ook overigens heeft hij geen geschikte functies voor werkneemster kunnen duiden. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2007 vastgesteld dat werkneemster met ingang van 14 januari 2008 recht heeft op een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA). Daarbij is tevens vastgesteld dat werkneemster 100% arbeidsongeschikt was.

2.1. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Appellante is van mening dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zij derhalve op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

2.2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts M. Carere de beschikking had gekregen over een rapport van 6 december 2007 van de behandelend cardioloog J. Constandse en een rapport van 8 januari 2008 van de behandelend reumatologe H.A.E.M. van Heereveld, heeft zij in haar rapport van 12 maart 2008 te kennen gegeven dat zij geen medische reden ziet om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts Andriessen. Vervolgens heeft het Uwv, na een rapport van 11 augustus 2008 van bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen, bij besluit van 18 augustus 2008 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. Bij uitspraak van 4 juni 2009 heeft de rechtbank Arnhem het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv in onvoldoende mate had gemotiveerd waarom er bij werkneemster geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Carere een nader onderzoek ingesteld en recente informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog G.A.M. Pop en reumatologe Van Heereveld. Op basis van deze informatie van respectievelijk 17 juli 2009 en 6 augustus 2009 heeft zij in haar rapport van 22 september 2009 overwogen dat de klachten van werkneemster niet zijn te relateren aan reuma en pericarditis, zoals aanvankelijk werd gedacht, maar aan overgewicht. Het behandeladvies van beide specialisten is activeren. Zij is in dit rapport dan ook tot de conclusie gekomen dat, gezien deze gegevens, een tijdelijke IVA-uitkering ook achteraf niet redelijk te achten is. In overeenstemming met dit rapport en ter uitvoering van in overweging 3 vermelde uitspraak van de rechtbank Arnhem heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante andermaal ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts met haar rapport van 22 september 2009 deugdelijk heeft gemotiveerd dat er bij werkneemster op de datum in geding geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid en dat behandeling en spontane verbetering tot de mogelijkheid behoorden. Voor de rechtbank is dit aanleiding geweest om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

6. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen betreft de vraag of de vastgestelde arbeidsongeschiktheid van werkneemster met ingang van 14 januari 2008 moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de thans toegekende WGA-uitkering.

7.2. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap en bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medische of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Bij het onderzoek naar de duurzaamheid van een volledige arbeidsongeschiktheid dient de verzekeringsarts het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader te hanteren, genaamd “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (beoordelingskader). Ingevolge dit beoordelingskader worden arbeidsbeperkingen duurzaam genoemd:

1. als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of

2. als verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten;

Voorts bevat het beoordelingskader, voor zover van belang, het volgende:

“De verzekeringsarts spreekt zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen van cliënt, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. De verzekeringsarts doorloopt hierbij de volgende stappen:

Stap 1: De verzekeringsarts beoordeelt of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van:

a. een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of

b. een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden.

Stap 2: Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is:

a. er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden;

b. verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.

Als voor de keuze tussen 2.a en 2.b doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden.”

7.3. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) overwogen dat blijkens de wetgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Voorts heeft de Raad in deze uitspraak het niet onjuist geacht dat bij het maken van deze inschatting het beoordelingskader wordt gehanteerd, nu dit beoordelingskader een uitwerking is van, en in grote lijnen overeenkomt met, de procedure zoals die volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet WIA (TK 2004-2005, 30 034, nr.3, blz 29) gevolgd zal worden bij het vaststellen van de volledige duurzaamheid. Daarnaast is in deze uitspraak overwogen dat, in het geval betrokkene bezwaar heeft gemaakt, bij deze inschatting ook medische gegevens moeten worden betrokken die in bezwaar bekend zijn geworden, maar slechts voor zover die gegevens betrekking hebben op de datum met ingang waarvan de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid door het bestuursorgaan niet is aangenomen. In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (LJN BN9226) heeft de Raad in lijn met deze uitspraak benadrukt dat ook de bestuursrechter bij zijn beoordeling van de juistheid van het bestreden besluit informatie zal betrekken voor zover die betrekking heeft op de datum in geding.

7.4. De beschikbare medische gegevens laten zien dat werkneemster in 2003 een pericarditis e.c.i. heeft doorgemaakt en sinds 2004 bekend is met een reumapositieve artritis. In 2005 ontstonden er dyspneuklachten in verband waarmee de cardioloog regelmatig is geraadpleegd. Een duidelijke verklaring voor de klachten van werkneemster kon echter niet worden gevonden. Uiteindelijk is in 2006 is bij haar vastgesteld dat er sprake was van een pericarditis constrictiva. Vanwege deze aandoening heeft zij in januari 2007 een pericardectomie ondergaan. Deze ingreep is ongecompliceerd verlopen en heeft ook een tijdelijke verbetering van haar klachten (dyspnoe d’effort en moeheid) tot gevolg gehad. Uit de voormelde verklaring van 6 december 2007 van de cardioloog Constandse blijkt dat werkneemster daarna nog een aantal malen deze cardioloog poliklinisch heeft geconsulteerd vanwege gewichtstoename. Daarbij is echocardiografisch vastgesteld dat er ten tijde van deze gewichtstoename sprake was van een matig functionerende rechterkamer, zoals dat wel vaker voorkomt na een pericarditis constrictiva. Tevens is werkneemster daarbij uitgelegd dat er ongeveer een jaar voor staat om te kijken of de rechterkamer functie verbetert. Dit brengt de Raad tot de conclusie, gezien de datum van deze verklaring, dat op 14 januari 2008 niet duidelijk was of de belastbaarheid van werkneemster nog zou toenemen. De voormelde informatie van de behandelend artsen Van Heereveld en Pop uit 2009 doet, voor zover die ziet op de datum in geding, aan deze conclusie niet af.

7.4. Op grond van overweging 7.3 is de Raad van oordeel dat de medische situatie van werkneemster op de datum in geding overeenkwam met de situatie, zoals omschreven in stap 2 van het beoordelingskader, voor het geval dat met het oog op die datum geen keus gemaakt kon worden tussen de stappen 2.a en 2.b, hetgeen namens het Uwv ter zitting ook is bevestigd. Dit betekent dat het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij werkneemster op 14 januari 2008 geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarom is werkneemster terecht een IVA-uitkering geweigerd.

7.5. Gelet op de overwegingen 7.1 tot en met 7.4 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en in zoverre met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenbeoordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.C.W. Lange en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) K.E. Haan

GdJ