Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
11-2041 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek. Geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2041 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2011, 10/1137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 28 september 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 september 1999 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 18 maart 1997 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft geleid tot een besluit van 12 juli 2004, waarbij dit bezwaar ongegrond is verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich primair op het standpunt gesteld dat appellant op de eerste ongeschiktheidsdag, te weten 19 maart 1996, niet verzekerd was ingevolge de WAO en daarom na afloop van de wachttijd niet in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering. Subsidiair heeft het Uwv zich bij dit besluit op het standpunt gesteld dat appellant per einde wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was. Beroep en hoger beroep hebben geleid tot een uitspraak van de Raad van 14 juni 2007, LJN BA7368, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd appellant een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen.

1.2. Bij brief van 4 april 2008 heeft appellant verzocht het besluit van 28 september 1999 te herzien.

1.3. Bij besluit van 3 november 2009 heeft het Uwv het herzieningsverzoek afgewezen. Daarbij is overwogen dat uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.

1.4. Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het Uwv, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onder vaststelling dat van vermelding door appellant van nieuwe feiten of omstandigheden geen sprake was, het door appellant tegen het besluit van 3 november 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Het door appellant tegen het besluit van 23 februari 2010 ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij zich niet kan verenigen met de aangevallen uitspraak. Naar zijn mening is hij te ziek om te werken. Voorts heeft hij gesteld, evenals eerder in de procedure, dat het Uwv hem naar aanleiding van zijn verzoek om herziening ten onrechte niet heeft onderworpen aan een geneeskundig onderzoek. Daarnaast heeft hij verzocht te worden opgeroepen om bij de Raad op de zitting te verschijnen, waaraan hij heeft toegevoegd dat de rechtbank dit ten onrechte heeft nagelaten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2. De Raad is van oordeel dat appellant bij zijn onderhavige verzoek geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden in voormelde zin naar voren heeft gebracht. Reeds daarom heeft het Uwv er van af kunnen zien om appellant aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Tevens heeft de Raad geen aanleiding gezien om appellant op grond van artikel 8:59 van de Awb op te roepen omdat hij zich op grond van de gedingstukken in voldoende mate voorgelicht acht om tot een beslissing te komen. Op grond van de in eerste aanleg aanwezige gedingstukken heeft de rechtbank er eveneens van af kunnen zien om appellant op te roepen.

4.3. Gelet op de overwegingen in 4.1 en 4.2 is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.C.W. Lange en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. de Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) K.E. de Haan

TM