Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
11-2753 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wajong. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2753 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2011, 10/6807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 28 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellant, geboren op 19 september 1990, heeft op 22 oktober 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wajong.

1.3. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 januari 2010 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij op en na 19 september 2007, de dag waarop hij zeventien jaar werd, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.4. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 20 augustus 2010 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen inzake de belastbaarheid van appellant. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd. Hij heeft verwezen naar de bevindingen van de arts-deskundige M. Peterson van 8 september 2009, de informatie van GGZ-Midden Holland van 21 juni 2010 en de CIZ indicatie voor zorg in natura. De wisselwerking tussen de persoonlijkheidsproblematiek van appellant en zijn darmaandoening (Coeliakie) had moeten leiden tot aanpassingen in de rubrieken 1 en 2 van de functionele mogelijkhedenlijst (FML). Als gevolg van de ernst van zijn klachten acht appellant zich niet in staat tot het in volledige omvang vervullen van de drie voorgehouden functies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de medische rapportages van de verzekeringsartsen geen aanleiding geven tot twijfel aan de belastbaarheid van appellant. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd op 11 november 2009, aangevuld op 7 januari 2010 en heeft hierbij de informatie betrokken van maag-, darm-, leverarts J.W.G. Tielen van

29 december 2009. Tielen meldt dat bij appellant sprake is van Coeliakie die niet goed herstelt wegens het niet kunnen volhouden van een glutenvrij dieet en dat er geen andere oorzaken zijn die zijn extreme moeheidklachten zouden kunnen verklaren. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 19 juli 2010 de informatie van de arts Peterson en de informatie van GGZ Midden Holland betrokken. In de rapportages van 3 november 2010 en 10 maart 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts nader gemotiveerd dat de psychische component niet heeft geleid tot het aannemen van meer beperkingen. De verzekeringsartsen hebben voldoende toegelicht dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking en dat er ook overigens geen objectief medische gronden zijn voor het aannemen van meer of andere beperkingen.

Appellant heeft in hoger beroep niet met nadere medische stukken onderbouwd waarom een urenbeperking dan wel meer afzonderlijke beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML aangenomen dienen te worden. Overigens heeft appellant na de aanvraag van de Wajong-uitkering nog gewerkt in 2009, 2010 en 2012. Ten aanzien van de in 2012 gedurende zes maanden verrichte werkzaamheden als toezichthouder in een fietsenstalling heeft appellant ter zitting verklaard dat dit lichte werkzaamheden betrof gedurende 36 uur per week en dat dit goed vol te houden was. Naar het de Raad wil voorkomen vormt dit gegeven een onderstreping van de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant medisch gezien niet buiten staat is tot het in een voltijdse omvang verrichten van fysiek lichte werkzaamheden.

4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de bij de schatting betrokken functies te verrichten.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) K.E. Haan

NW