Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8492

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
10/5129 WWB-T, 12/1600 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het college wordt opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante. Dat appellante kennelijk pas naderhand besefte dat zij geld kon opnemen van de en/of-rekening, betekent niet dat sprake is van het naderhand beschikken of kunnen beschikken over in aanmerking te nemen middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5129 WWB-T, 12/1600 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 augustus 2010, 09/1787 en 09/1788 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

Datum uitspraak 25 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [B.] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Voor appellante is [B.] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.Y. Baptiste.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in gemeenschap van goederen gehuwd met [B.]. Op 7 januari 2009 heeft appellante de burgerlijke rechter verzocht hangende de echtscheidingsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Bij tussenbeschikking van 19 januari 2009 zijn de minderjarige kinderen toevertrouwd aan appellante en is haar met ingang van 23 januari 2009 het gebruik van de echtelijke woning toegewezen. Bij tussenbeschikking van 2 februari 2009 is bepaald dat [B.] € 375,-- per kind per maand aan appellante zal betalen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Sinds 17 april 2009 zijn appellante en [B.] weer bij elkaar. Op 27 mei 2009 heeft appellante de echtscheidingsprocedure ingetrokken.

1.2. Op 9 januari 2009 heeft appellante, in verband met echtelijke problemen, de echtelijke woning met haar twee minderjarige kinderen verlaten. Met hulp van Maatschappelijke Dienstverlening Veluwe is appellante tot haar terugkeer naar de echtelijke woning op 23 januari 2009 ondergebracht in een vakantiewoning. Op 13 januari 2009 heeft appellante bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van de huur van de vakantiewoning. Bij besluit van 21 januari 2009 heeft het college appellante voor die kosten een bedrag van € 418,25 aan bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een lening met de aantekening dat in afwachting van de uitspraak van de burgerlijke rechter het college achteraf zal beoordelen of de bijstand zal worden teruggevorderd.

1.3. Appellante heeft zich vervolgens op 27 januari 2009 gemeld voor het indienen van een aanvraag om algemene bijstand ingevolge de WWB. Op 27 februari 2009 heeft het college appellante een voorschot ten behoeve van levensonderhoud verstrekt van € 237,93. Bij besluit van 17 april 2009 heeft het college de aanvraag om algemene bijstand afgewezen op de grond dat het vermogen van appellante boven de grens van het vrij te laten vermogen ligt. Bij besluit van 26 juni 2009 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, respectievelijk d, van de WWB de bijzondere bijstand voor de kosten van de huur van de vakantiewoning en het voorschot teruggevorderd op de grond dat is gebleken dat appellante geen recht heeft op bijstand.

1.4. Bij besluit van 13 oktober 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 april 2009 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van eveneens 13 oktober 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college bij de vaststelling of appellante in een situatie verkeerde als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB terecht heeft onderzocht over welke vermogensbestanddelen appellante kon beschikken en dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het vermogen van appellante de voor haar geldende vermogensgrens overschreed. Dat betekent dat appellante een voorschot aan algemene bijstand en bijzondere bijstand is verleend, terwijl zij daar geen recht op had.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zij niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit de door haar overgelegde gegevens blijkt volgens haar dat haar vermogen lager was dan de voor haar geldende vermogensgrens. Daarnaast beklaagt appellante zich over de onheuse bejegening door de rechter, de griffier van de rechtbank en de gemeente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Allereerst moet worden vastgesteld dat de gedingstukken geen aanknopingspunt bieden voor de gestelde onheuse bejegening door medewerkers van de gemeente en door de griffier en rechter van de rechtbank. Die stelling kan appellante reeds daarom niet baten.

4.2. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode in beginsel loopt van 27 januari 2009 tot en met 17 april 2009.

4.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 8 juni 2007, LJN BA8340), dient aan de hand van de feitelijke inkomens- en vermogenssituatie op de beoogde aanvangsdatum van de bijstand te worden bezien of in aanmerking te nemen middelen van de betrokkene aan verlening van bijstand in de weg staan.

4.5. Niet in geschil is dat appellante ten tijde van belang geen inkomen had. Voor het antwoord op de vraag of appellante in een situatie verkeerde als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB is daarom slechts van belang of haar feitelijke vermogenssituatie op de beoogde aanvangsdatum aan verlening van bijstand in de weg stond.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op grond van de beschikbare stukken terecht heeft vastgesteld dat het vermogen van appellante - bij de vaststelling daarvan heeft het college rekening gehouden met een aanstaande echtscheiding en boedelscheiding - de voor haar geldende vermogensgrens ruimschoots overschreed. Appellante heeft reeds in bezwaar gesteld dat haar vermogen veel minder bedraagt dan het bedrag aan vrij te laten vermogen. In het advies van de bezwarencommissie, dat aan bestreden besluit 2 ten grondslag ligt, is echter terecht overwogen dat appellante haar stelling niet met stukken heeft onderbouwd. Ook in beroep en hoger beroep heeft appellante geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het vermogen van appellante ten tijde van belang onder de vermogensgrens lag.

4.7. Uit 4.6 volgt dat het college aan de afwijzing van de aanvraag om algemene bijstand ten grondslag heeft kunnen leggen dat appellante niet in zodanige omstandigheden verkeerde dat zij niet over de middelen kon beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

4.8. Het college heeft de in de vorm van een geldlening verleende bijzondere bijstand met toepassing artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB teruggevorderd. Deze bepaling schept de bevoegdheid de in de vorm van een geldlening verleende bijstand terug te vorderen, indien de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen. Aan die voorwaarde is in dit geval, zoals het college ter zitting heeft erkend, gelet op het besluit van 21 januari 2009 niet voldaan. Het college was daarom niet bevoegd om met toepassing van voormelde bepaling de bijzondere bijstand terug te vorderen.

4.9. Ter zitting heeft het college nog betoogd dat, indien de bevoegdheid zou ontbreken om de bijzondere bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, onder b, van de WWB van appellante terug te vorderen, terugvordering mogelijk is op grond van artikel 58, eerste lid, onder f, ten eerste, van de WWB wegens het naderhand beschikken of kunnen beschikken over in aanmerking te nemen middelen. Daarbij heeft het college erop gewezen dat appellante aanvankelijk niet feitelijk kon beschikken over het aanzienlijke saldo op de en/of-rekening omdat [B.] haar pasje had meegenomen en dat appellante pas naderhand bedacht dat zij met haar paspoort toch geld kon opnemen. Dit betoog slaagt niet. Dat appellante kennelijk pas naderhand besefte dat zij geld kon opnemen van de en/of-rekening, betekent niet dat sprake is van het naderhand beschikken of kunnen beschikken over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onder f, ten eerste, van de WWB.

4.10. Uit 4.4 tot en met 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij bestreden besluit 2 in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

4.11. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit 2 niet in stand worden gelaten. Evenmin kan de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2009.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 13 oktober 2009 dat ziet op de terugvordering, te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J.M. Tason Avila

IJ