Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
09/291 WWB + 11/4130 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Recht op bijstand niet vast te stellen wegens twijfel omtrent feitelijke woonsituatie. Het college is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen ten aanzien van de aanvraag van appellant. De enkele stelling van appellant dat hij in de periode in geding is onderhouden door zijn familieleden is onvoldoende, nu deze stelling niet wordt ondersteund door objectieve bewijsstukken. Weliswaar is het gezien het tijdsverloop voor hem moeilijker om gegevens te verstrekken, maar dat het onmogelijk was om het gevraagde bewijs te leveren is niet gebleken. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/321 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/291 WWB, 11/4130 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 december 2008, 08/584 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 25 september 2012

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 1 maart 2011, LJN BP6877, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 5 juli 2011 een nieuw besluit genomen.

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat, bij brief van 15 september 2011 zijn zienswijze op het besluit naar voren gebracht.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012. Voor appellant is mr. Schoonbrood verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten naar zijn tussenuitspraak van 1 maart 2011. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

1.1. In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar van 12 maart 2008 dienen te worden vernietigd en heeft de Raad het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen ten aanzien van de aanvraag van appellant om bijstand van 6 september 2007. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de gedingstukken onvoldoende steun bieden voor het standpunt van het college dat er gerede twijfel bestond omtrent de feitelijke woonsituatie van appellant. Gelet daarop kan naar het oordeel van de Raad niet staande worden gehouden dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld op de grond dat hij niet heeft meegewerkt aan een af te leggen huisbezoek.

1.2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college appellant verzocht een aantal stukken te verstrekken, waaronder betalingsbewijzen van zijn reizen naar [M.] in 2007 tot en met 2010 en zijn geplande reis in 2011 en afschriften van de bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer] (bankrekening 1) over de periode van

6 juni 2007 tot en met 8 december 2007 ten name van zijn in [M.] wonende echtgenote. Voorts heeft het college appellant verzocht met bewijsstukken aan te tonen wat de herkomst is van de stortingen in de periode van 6 juni 2007 tot en met 8 december 2007 op de bankrekening met het nummer [bankrekeningnummer] (bankrekening 2) ten name van zijn echtgenote.

1.3. Bij het besluit van 5 juli 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 november 2007 wederom ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college het standpunt ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld omdat:

- appellant geen afschriften van bankrekening 1 heeft verstrekt;

- de op bankrekening 2 gestorte bedragen niet afkomstig zijn van de kinderbijslag, maar van een andere onbekende bron;

- appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie vanaf 2007 en de wijze waarop hij vanaf 2007 in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

1.4. Appellant heeft zich in zijn zienswijze op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen het besluit van 5 juli 2011. Voorts heeft hij bij brief van 4 april 2012 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het besluit van 5 juli 2011

2.1. Het college is met het besluit van 5 juli 2011 niet aan het bezwaar van appellant tegemoetgekomen. Dit betekent dat het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

2.2. Gelet op het besluit van 5 juli 2011 loopt de hier te beoordelen periode van 6 september 2007 tot en met 5 juli 2011 (periode in geding).

2.3. Nu het gaat om een aanvraagsituatie, rust op appellant de last om aannemelijk te maken dat hij in de periode in geding in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college heeft appellant daarom terecht verzocht duidelijkheid te geven over de wijze waarop hij in de periode in geding in zijn levensonderhoud heeft voorzien, temeer omdat ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant ondanks de lengte van deze periode geen nieuwe aanvraag om bijstand heeft ingediend.

2.4. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat appellant niet in zijn bewijslast is geslaagd. De enkele stelling van appellant dat hij in de periode in geding is onderhouden door zijn familieleden is onvoldoende, nu deze stelling niet wordt ondersteund door objectieve bewijsstukken. Eveneens onvoldoende is in dit verband de schriftelijke verklaring van de zus van appellant, [zus], dat zij geld heeft geleend aan appellant en dat het totale bedrag rond € 1.500,-- bedraagt, reeds omdat uit de verklaring niet blijkt wanneer zij het bedrag aan appellant heeft geleend en ook niet is gebleken dat appellant het bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt hoe hij zijn jaarlijkse vakantie in [M.] in de periode in geding heeft bekostigd. Weliswaar is het gezien het tijdsverloop voor hem moeilijker om gegevens te verstrekken, maar dat het onmogelijk was om het gevraagde bewijs te leveren is niet gebleken.

2.5. Reeds gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen heeft het college de aanvraag terecht afgewezen. De vraag of appellant onvoldoende gegevens en stukken met betrekking tot de bankrekeningen 1 en 2 heeft verstrekt, kan gelet daarop in het midden blijven.

2.6. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen het besluit van 5 juli 2011 ongegrond zal worden verklaard.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.7. Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 16 november 2007 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het college vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 november 2007 tot het besluit van 12 maart 2008 bijna vier maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 18 april 2008 tot de aangevallen uitspraak op 8 december 2008 ruim zeven maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 14 januari 2009 tot deze uitspraak drie jaar en zeven maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.

2.8. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

2.9. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen tot de hieronder vermelde beslissing.

3. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 966,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De in hoger beroep gevorderde reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu appellant niet in persoon ter zitting van de Raad is verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 maart 2008 gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 maart 2008;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juli 2011 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.610,--,waarvan een bedrag van € 966,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 12/4202 BESLU en 12/4205

BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding

in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der

Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens