Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
10-6369 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand: verzoek om ingangsdatum met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden. Appellant beschikte over voldoende middelen van bestaan. De omstandigheid dat naderhand een terugbetalingsverplichting is ontstaan jegens het UWV brengt hierin geen verandering. Van vreemdelingen zonder verblijfstitel kan niet worden gevergd dat zij kansloze aanvragen om bijstand doen. De mogelijkheid voor appellant om eerder, bijvoorbeeld op 20 november 2008, een aanvraag te doen, was niet kansloos vanwege zijn verblijfsrechtelijke positie. Dat appellant zelf die aanvraag niet als kansloos zag, blijkt uit het feit dat hij ook daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend. Beëindiging bijstand: naar een andere gemeente vertrokken. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat een latere datum voor de intrekking van de bijstand moet worden aangehouden. Aan de omstandigheid dat hij zich pas later in de nieuwe gemeente heeft ingeschreven of de sleutels van de achter te laten woning heeft ingeleverd, komt geen doorslaggevende betekenis toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6369 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

17 november 2010, 09/2144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 11 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 28 juli 2008 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan appellant een uitkering toegekend ingevolge de Ziektewet (ziekengeld). Een verzekeringsarts heeft appellant op 20 november 2008 gekeurd en hem met ingang van 21 november 2008 hersteld verklaard. Appellant heeft op 20 november 2008 bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Appellant heeft over de periode 20 november 2008 tot en met 25 januari 2009 van het UWV nog ziekengeld ontvangen. Bij brief van 23 januari 2009 heeft een medewerker van de gemeente Kerkrade, sector SoZaWe, aan appellant bevestigd dat hij zijn aanvraag van 20 november 2008 heeft ingetrokken. Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het UWV appellant meegedeeld dat over de periode van 20 november 2008 tot en met 25 januari 2009 ten onrechte ziekengeld is betaald en dat dit wordt teruggevorderd.

1.2. Op 17 februari 2009 heeft appellant zich gemeld bij het CWI om opnieuw bijstand aan te vragen. Appellant heeft verzocht om toekenning met ingang van 25 januari 2009. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college aan appellant bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, met ingang van 17 februari 2009. Bij dat besluit heeft het college de bijstand met ingang van 11 maart 2009 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat hij volgens zijn op 8 april 2009 afgelegde verklaring met ingang van 11 maart 2009 naar een andere gemeente is vertrokken. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant betoogd dat de ingangsdatum van de bijstand 20 november 2008 moet zijn en dat hij pas op 7 april 2009 in [woonplaats] is ingeschreven.

1.3. Bij besluit van 18 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2009 in zoverre gegrond verklaard, dat alsnog met ingang van 25 januari 2009 bijstand is verleend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft het bezwaar voor zover gericht tegen de datum van intrekking van de bijstand ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe - voor zover van belang - overwogen dat het college terecht en op goede gronden de ingangsdatum van de aan appellant toegekende bijstandsuitkering heeft bepaald op 25 januari 2009 en de bijstand terecht en op goede gronden heeft beëindigd per 11 maart 2009.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn om uit te gaan van 20 november 2008 als ingangsdatum in plaats van 25 januari 2009, omdat hij ziekengeld heeft ontvangen over de periode 20 november 2008 tot en met 25 januari 2009 en hij deze uitkering aan het UWV moet terugbetalen vanwege een administratieve omissie die buiten zijn schuld is ontstaan. De einddatum van de bijstand moet volgens appellant, zoals hij uiteindelijk ter zitting heeft gesteld, worden bepaald op 20 maart 2009, omdat hij op die dag de sleutels van zijn woning in [K.] heeft ingeleverd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De ingangsdatum

4.1. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2. De rechtbank is het college terecht gevolgd in het oordeel dat in hetgeen door appellant is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen om bijstand toe te kennen over een periode voorafgaand aan 25 januari 2009. Hierbij is allereerst van betekenis dat appellant op een eerder tijdstip een aanvraag kon indienen, hetgeen hij ook gedaan heeft. Het feit dat appellant deze aanvraag heeft ingetrokken omdat hij beschikte over ziekengeld, doet hier niet aan af.

4.3. Voorts is van belang dat appellant in de periode van 20 november 2008 tot en met 25 januari 2009 feitelijk beschikte over voldoende middelen van bestaan. De omstandigheid dat naderhand een terugbetalingsverplichting is ontstaan jegens het UWV brengt hierin geen verandering. De stelling van appellant dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat het ziekengeld over deze periode wordt teruggevorderd, behoeft daarom geen bespreking. Zie de uitspraak van de Raad van 15 november 2011, LJN BU4586.

4.4. Appellant heeft ter zitting een beroep gedaan op de rechtspraak van de Raad inzake vreemdelingen aan wie met terugwerkende kracht bijstand is verleend. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ8031) kunnen bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht bijstand te verlenen zich voordoen indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend. Die betrokkene dient dan aannemelijk te maken dat hij over de periode vanaf de ingangsdatum van de verblijfsvergunning tot aan de datum waarop hij zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen niet in de noodzakelijke bestaanskosten heeft voorzien. Het aanvullende karakter van de WWB brengt mee dat betrokkene aannemelijk maakt dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en dat hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan. Indien de betrokkene hierin slaagt, dient de bijstandsverlening beperkt te blijven tot de hoogte van die reële schuld.

4.5. Het beroep op deze rechtspraak slaagt niet. Volgens deze rechtspraak, kan van vreemdelingen zonder verblijfstitel niet worden gevergd dat zij kansloze aanvragen om bijstand doen. De mogelijkheid voor appellant om eerder, bijvoorbeeld op 20 november 2008, een aanvraag te doen, was niet kansloos vanwege zijn verblijfsrechtelijke positie. Dat appellant zelf die aanvraag niet als kansloos zag, blijkt uit het feit dat hij ook daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend. Voorts is appellant om in zijn noodzakelijke bestaanskosten te voorzien, geen lening aangegaan. De onder 1.1 genoemde terugbetalingsverplichting aan het UWV kan niet als zodanig worden aangemerkt of daarmee op één lijn worden gesteld.

De intrekkingsdatum

4.6. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.7. In tegenstelling tot hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat een latere datum voor de intrekking van de bijstand moet worden aangehouden. Hierbij moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de verklaring van appellant, afgelegd tegenover de sociale recherche, dat hij feitelijk vanaf 11 maart 2009 in [woonplaats] verbleef en aldaar heeft geslapen. Het college heeft terecht geen aanleiding gezien voor een nader onderzoek naar de datum waarop appellant woonplaats in [woonplaats] heeft verkregen. Aan de omstandigheid dat hij zich daar pas later heeft ingeschreven of de sleutels van de achter te laten woning heeft ingeleverd, komt geen doorslaggevende betekenis toe.

4.8. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. de Jong