Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8483

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
11-7078 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen salarisspecificaties: geen extra periodieken vermeld. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984 (BBRA) kan het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, worden verhoogd tot een in de schaal vermeld hoger bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag meer dan in voldoende mate functioneert dan wel indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere gronden aanleiding bestaat. Ter uitvoering van deze bepaling heeft de staatssecretaris eind 2008 besloten om het budget voor bewust belonen aan te wenden voor het toekennen van extra periodieken aan bovenmatig functionerende medewerkers als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het BBRA, maar dan uitsluitend ten behoeve van diegenen die op hun 45e levensjaar nog niet het maximum van voor hen geldende salarisschaal zullen hebben bereikt. Op die wijze wilde de staatssecretaris onevenredige verschillen in inschaling van medewerkers die hetzelfde werk verrichten zoveel mogelijk wegnemen. Er is geen grond voor de stelling dat de staatssecretaris dit beleid niet daadwerkelijk zou hebben gevoerd.

Het beleid om binnen de groep van bovenmatig functionerende medewerkers een beperking aan te brengen is niet in strijd met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het BBRA en gaat niet, zoals namens appellanten is betoogd, buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Dat de staatssecretaris onevenredige verschillen in inschaling van zijn ambtenaren wil wegnemen en daarom diegenen die relatief laag zijn ingeschaald in relatie tot hun functioneren extra wil belonen, getuigt van goed werkgeverschap en dat hij daarbij een leeftijdsgrens van 45 jaar heeft gekozen ter bepaling van de doelgroep maakt het beleid niet onredelijk of onjuist. Vast staat dat appellanten 1, 2, 4, 6 en 7 niet voldoen aan het leeftijdscriterium. Appellanten 3 en 5 voldoen niet aan het cirterium meer dan in voldoende mate functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7078 AW, 11/7080 AW t/m 11/7085 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van

26 oktober 2011, 10/6283, 10/6082, 10/5463, 10/5462, 10/5207, 10/6117, en 10/6073 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

1. [appellant 1],

2. [appellant 2],

3. [appellant 3],

4. [appellant 4],

5. [appellant 5],

6. [appellant 6]

7. [appellant 7] (appellanten)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 27 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.L.A. Helmer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012 door een enkelvoudige kamer. Appellanten 2 t/m 7 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Helmer en mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs.

De enkelvoudige kamer heeft, nadat partijen ter zitting toestemming hebben gegeven om een verdere mondelinge behandeling achterwege te laten, de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

OVERWEGINGEN

1. Appellanten zijn allen werkzaam bij [werkgever]. In november 2008 zijn aan een aantal collega’s extra periodieken toegekend. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen hun salarisspecificatie over die maand, waarop zodanige periodieken niet zijn vermeld. Bij besluiten van 18 juni 2010 (bestreden besluiten) zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de bestreden besluiten vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Aangezien de staatssecretaris in zijn verweerschrift nader gemotiveerd heeft hoe de besluitvorming tot stand is gekomen en kenbaar heeft gemaakt hoe de doelgroep is gedefinieerd, en appellanten daarop hebben kunnen reageren, heeft de rechtbank vervolgens bezien of de bestreden besluiten inhoudelijk stand konden houden. De rechtbank kwam in alle gevallen tot de conclusie dat de staatssecretaris in overeenstemming met het gevoerde beleid aan appellanten geen extra periodieken heeft toegekend omdat zij niet tot de doelgroep behoorden. Daarom heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven.

3.1. Het hoger beroep van appellanten is uitsluitend gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen. Appellanten zijn van opvatting dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in zijn verweerschrift alsnog voldoende openheid van zaken heeft gegeven, zodat ten onrechte de daarin geformuleerde regel door de rechtbank is toegepast. Appellanten hebben grote moeite om te geloven dat de staatssecretaris daadwerkelijk dit beleid heeft gevoerd. Zij blijven van mening dat sprake is van willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder stellen appellanten dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond van goed werkgeverschap onbesproken heeft gelaten. Namens appellanten 3 en 5 is in het bijzonder nog gesteld dat ten onrechte niet is aangenomen dat zij voldeden aan het criterium “in meer dan voldoende mate functioneren”.

3.2. Namens de staatssecretaris is nogmaals, ook ter zitting van de Raad, uitdrukkelijk excuus aangeboden voor de onduidelijke besluitvorming en het mogelijke gebrek aan transparantie. In de vernietiging van de bestreden besluiten om die reden, en de veroordeling in de proceskosten van appellanten en teruggave van betaalde griffierechten, heeft de staatssecretaris dan ook berust. Appellanten kunnen aan die omstandigheid echter geen recht op extra periodieken ontlenen, aldus de staatssecretaris, nu zij op grond van het gevoerde beleid daar niet voor in aanmerking komen. Er zijn mogelijk fouten gemaakt, maar dat sprake is geweest van willekeur wordt met klem betwist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984 (BBRA) kan het salaris van de ambtenaar die nog niet het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, worden verhoogd tot een in de schaal vermeld hoger bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag meer dan in voldoende mate functioneert dan wel indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere gronden aanleiding bestaat. In het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) is hierbij (onder 1.2.8.1, sub 1c en 2) opgenomen dat een salarisverhoging als hier bedoeld slechts kan worden geëffectueerd als er een beoordeling is opgemaakt en verder dat zodanige salarisverhoging beperkt blijft tot maximaal drie periodieken.

4.2. Ter uitvoering van deze bepaling heeft de staatssecretaris eind 2008 besloten om het budget voor bewust belonen aan te wenden voor het toekennen van extra periodieken aan bovenmatig functionerende medewerkers als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het BBRA, maar dan uitsluitend ten behoeve van diegenen die op hun 45e levensjaar nog niet het maximum van voor hen geldende salarisschaal zullen hebben bereikt. Op die wijze wilde de staatssecretaris onevenredige verschillen in inschaling van medewerkers die hetzelfde werk verrichten zoveel mogelijk wegnemen.

4.3. Voor de stelling dat de staatssecretaris dit beleid niet daadwerkelijk zou hebben gevoerd, bestaat geen grond. Weliswaar is het beleid niet als zodanig bekend gesteld, maar dat is ook niet noodzakelijk. Beleid kan ook uit een vaste gedragslijn blijken. Dat dit voor appellanten niet steeds duidelijk is geweest en wellicht ook niet kon zijn is een andere kwestie, die heeft geleid tot vernietiging van de bestreden besluiten. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de staatssecretaris uiteindelijk voldoende openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank heeft daarom vervolgens terecht beoordeeld of de besluitvorming inhoudelijk de toetsing kon doorstaan.

4.4. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen betreft het hier een discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris, waarbij een terughoudende toetsing door de rechter hoort. Het beleid om binnen de groep van bovenmatig functionerende medewerkers een beperking aan te brengen is niet in strijd met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het BBRA en gaat niet, zoals namens appellanten is betoogd, buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Dat de staatssecretaris onevenredige verschillen in inschaling van zijn ambtenaren wil wegnemen en daarom diegenen die relatief laag zijn ingeschaald in relatie tot hun functioneren extra wil belonen, getuigt van goed werkgeverschap en dat hij daarbij een leeftijdsgrens van 45 jaar heeft gekozen ter bepaling van de doelgroep maakt het beleid niet onredelijk of onjuist. De grens is gekozen na onderzoek, waaruit bleek dat medewerkers in groepsfunctie C gemiddeld instromen tussen 25 en 30 jaar (in C-0) en 17 jaar later het maximum bereiken van hun schaal (C-17), dus tussen 42 en 47 jaar. Op grond daarvan is gekozen voor de grens van 45 jaar. Die keuze is verantwoord, objectief en controleerbaar. Dat ook medewerkers die de leeftijdsgrens van 45 jaar al waren gepasseerd en hun maximum nog niet hadden bereikt tot de doelgroep werden gerekend is niet onredelijk of willekeurig, zoals door appellanten betoogd, maar alleszins aanvaardbaar en passend in de doelstelling.

4.5. Vast staat dat appellanten 1, 2, 4, 6 en 7 niet voldoen aan het leeftijdscriterium. Gezien hun leeftijd eind 2008 en de trede van de salarisschaal waarin zij zich op dat moment bevonden, is bij deze appellanten het bereiken van het maximum van hun salarisschaal voor hun 45e levensjaar verzekerd. Dat deze appellanten wel aan het criterium van bovenmatig functioneren voldoen is volgens het beleid onvoldoende om in aanmerking te komen voor een extra periodiek. Er is overeenkomstig het gevoerde beleid beslist en bijzondere omstandigheden op grond waarvan ten behoeve van deze appellanten afgeweken had moeten worden van het beleid zijn niet gesteld of gebleken.

4.6. Appellanten 3 en 5 zullen het maximum (17) van de voor hen geldende salarisschaal C pas bereiken (ver) na hun 45e levensjaar. In zoverre voldoen zij aan de voorwaarden. Uit de beoordeling van appellante 3 van september 2008, die zich bij de gedingstukken bevindt, blijkt dat zij op dat moment naar behoren functioneerde; de productie wordt kwalitatief en kwantitatief goed genoemd. De staatssecretaris heeft zich, gelet op die kwalificaties, en met inachtneming van de beoordelingsruimte die hij blijkens de bewoordingen van het tweede lid van artikel 7 van het BBRA (“naar het oordeel van het bevoegd gezag”) heeft, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarmee niet was voldaan aan het criterium van deze bepaling “meer dan in voldoende mate”. Dat aan appellante 3 in januari 2008 een cadeaubon is toegekend ter waarde van € 135,- , welke gerechtvaardigd is met kwalificaties als “zeer gedreven”, “zeer goed” en “op voortreffelijke wijze” kan daarin geen verandering brengen. Namens de staatssecretaris is duidelijk gemaakt dat de motivering voor de cadeaubon, gelet op het specifieke karakter van dat instrument (“boter bij de vis”), niet op één lijn gesteld kan worden met een beoordeling, die volgens het RPVB is voorgeschreven bij toekenning van een extra periodiek. Om diezelfde reden kan ook de vermelding in het voortgangsgesprek van 15 maart 2009 dat deze appellante een “toppertje” is haar niet baten.

4.7. Uit de beoordeling van appellant 5 van medio 2009, die ziet op de periode van mei 2008 tot juni 2009, blijkt dat deze appellant in mei 2009 een achterstand had in zijn taakstelling. Hoewel dit geen uitsluitsel geeft over de situatie in november 2008 blijkt uit de beoordeling nergens dat deze appellant in meer dan voldoende mate functioneerde. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat hij actief was in de ondernemingsraad en mogelijk nog andere klussen op zich nam. Ook ten aanzien van appellanten 3 en 5 is dus in overeenstemming met het gevoerde beleid beslist. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

4.8. De stelling van appellanten dat de staatssecretaris in afwijking van hetgeen is neergelegd in het RPVB in enkele gevallen meer dan drie extra periodieken heeft toegekend en aldus heeft gehandeld in strijd met zijn eigen beleid is niet door de staatssecretaris ontkend. Dat hij in sommige gevallen uit de doelgroep een voor betrokkenen gunstiger beslissing heeft genomen dan volgens het beleid had gemoeten kan, naar hij terecht heeft aangevoerd, er echter niet toe leiden dat appellanten, die niet behoren tot de doelgroep, alsnog aanspraak zouden verkrijgen op extra periodieken. Zover strekt het gelijkheidsbeginsel niet. Het betekent evenmin dat hier sprake is van willekeur ten aanzien van appellanten.

5. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) M.R. Schuurman