Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
11/1134 WWIK + 11/1153 WWIK + 11/4337 WWIK + 11/4339 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en medeterugvordering WIK-uitkering: niet melden gezamenlijke huishouding. Geen sprake van eigen toegang tot de woning, appellant heeft geen eigen badkamer en gebruikt de badkamer van appellante. De woonruimte van appellant kan daarom niet worden aangemerkt als zelfstandige woning. Het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde onweerlegbare rechtsvermoeden leidt niet tot verboden discriminatie. De wetgever heeft ervoor gekozen om bij belanghebbenden die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, steeds een gezamenlijke huishouding aan te nemen indien uit hun relatie een kind is geboren. Met het aankondigen van zijn verhuizing, waarbij appellant naar eigen zeggen eveneens een getekend huurcontract heeft ingeleverd, heeft hij het college niet volledig geïnformeerd. Appellant was gehouden om op, of kort na, zijn verhuizing het college - verder - te informeren over zijn nieuwe, gewijzigde woonsituatie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen kunstenaars 2
Wet werk en inkomen kunstenaars 2
Wet werk en inkomen kunstenaars 2
Wet werk en inkomen kunstenaars 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1134 WWIK, 11/1153 WWIK, 11/4337 WWIK, 11/4339 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 januari 2011, 08/1632, 09/746, 09/747 (aangevallen uitspraak 1) en 08/1633 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[A. en B. te C.]

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak: 25 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat, in beide zaken afzonderlijk hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in beide zaken afzonderlijk een verweerschrift ingediend.

Op 14 juli 2011 heeft het college twee besluiten genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraken.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 14 juli 2011 ter behandeling doorgezonden aan de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Wattilete, kantoorgenoot van mr. M.O. Wattilete. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellanten zijn van [periode huwelijk] gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Appellant ontving over de periode van 30 juni 2003 tot en met 30 juni 2007 een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). Vanaf 15 september 2006 woont appellant, samen met zijn zoon, op het adres [adres ]. Appellante woont, samen met haar dochter, vanaf 1 september 2006 op het adres [adres ].

1.3. Naar aanleiding van informatie van het Teamhoofd van het Zelfstandigenloket Flevoland dat appellant mogelijk een gezamenlijke huishouding voert met appellante en werkzaamheden verricht waaruit hij inkomsten ontvangt, heeft de Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, is buurtonderzoek gedaan en zijn appellanten gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 29 oktober 2007.

1.4. Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

5 februari 2008 de uitkering met ingang van 15 september 2006 in te trekken en bij besluit van - eveneens - 5 februari 2008 de gemaakte kosten van de uitkering over de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007 tot een bedrag van € 8.281,82 van appellant terug te vorderen. Deze besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 april 2009 (bestreden besluit 1). Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan mededeling te hebben gedaan, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante.

1.5. Bij afzonderlijk besluit van 5 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2008 (bestreden besluit 2), heeft het college de kosten van de uitkering tot een bedrag van € 8.281,82 mede van appellante teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 13 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2008 (bestreden besluit 3), heeft het college de over de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 september 2006 gemaakte kosten van de uitkering tot een bedrag van € 3.050,01 van appellant teruggevorderd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 betreffende de intrekking ongegrond verklaard, betreffende de terugvordering gegrond verklaard en dit besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor zover dit ziet op de terugvordering over de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard en het besluit van 13 februari 2008 herroepen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren en dat appellanten vanaf 15 september 2006 hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zodat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat het college de terugvordering over de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 september 2006 ten bedrage van € 3.050,01 niet handhaaft en is van oordeel dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de terugvordering heeft berekend over de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft voor de motivering verwezen naar de aangevallen uitspraak 1.

2.3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraken heeft het college bij afzonderlijke besluiten van 14 juli 2011 gericht aan appellant (bestreden besluit 4), respectievelijk aan appellante (bestreden besluit 5) de terugvordering en medeterugvordering over de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007 - ongewijzigd - vastgesteld op € 8.281,82. De Raad zal dit besluit, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

de aangevallen uitspraken

4.1. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWIK, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.2. In artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWIK is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd. Dit houdt in dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Een onderzoek naar het zogeheten zorgcriterium (de beoordeling van de wederzijdse zorg) hoeft dan niet te worden verricht. Gelet op de uit het huwelijk van appellanten geboren kinderen moet voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007 op grond van voormeld onweerlegbaar rechtsvermoeden vast komen te staan dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 15 juni 2010, LJN BM8024), is het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) neergelegde onweerlegbare rechtsvermoeden van toepassing ongeacht de leeftijd van het uit een relatie geboren kind. Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWIK dat een gelijkluidende bepaling bevat, anders te oordelen.

4.3. De beroepsgrond dat appellanten ieder een eigen etage bewonen op het adres [adres] en dat zij daarom geen gezamenlijk hoofdverblijf hebben, slaagt niet. Volgens de memorie van toelichting is het begrip ‘woning’ gekozen, omdat dit aansluit bij de - voorheen geldende - Huursubsidiewet. Dit is voor burgemeester en wethouders een duidelijk hanteerbaar begrip. In de uitvoering van de Huursubsidiewet wordt onder een woning een zelfstandige woning verstaan, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr 3, blz. 33). Appellant heeft geen eigen badkamer en gebruikt de badkamer van appellante. Evenmin heeft appellant een eigen toegang in vorenbedoelde zin. De woonruimte van appellant kan daarom niet worden aangemerkt als zelfstandige woning. Dit betekent dat appellanten gezamenlijk hoofdverblijf hebben in de woning op het adres [adres].

4.4. Appellanten hebben aangevoerd dat het hier aan de orde zijnde onweerlegbare rechtsvermoeden in strijd is met artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Zij zijn van mening dat sprake is van verboden discriminatie tussen personen uit wiens relatie een kind is geboren en personen uit wiens relatie geen kind is geboren. Dit betoog slaagt niet. In zijn arrest van 25 september 2009 (LJN BH2580) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde onweerlegbare rechtsvermoeden niet leidt tot verboden discriminatie. De Hoge Raad heeft hiertoe overwogen dat de wetgever ervoor heeft gekozen om bij belanghebbenden die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, steeds een gezamenlijke huishouding aan te nemen indien uit hun relatie een kind is geboren. Volgens de wetsgeschiedenis is de achtergrond van deze regeling dat daardoor, aldus de regering, een effectieve bestrijding van leefvormfraude wordt bevorderd. De kennelijke en niet onbegrijpelijke gedachte daarbij is geweest, dat de kans op verbondenheid en daarmee op wederzijdse verzorging van belanghebbenden die in een gemeenschappelijke woning verblijven in zijn algemeenheid groter zal zijn indien uit hun relatie een kind is geboren, ongeacht of zij voor die kinderen (nog) een verzorgingsplicht hebben, dan indien dit niet het geval is. Geen aanleiding bestaat om ten aanzien van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWIK dat een gelijkluidende bepaling bevat, anders te oordelen.

4.5. De beroepsgrond van appellante dat het hier aan de orde zijnde onweerlegbare rechtsvermoeden leidt tot een inbreuk op artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt niet. Appellanten worden in het kader van de toepassing van de WWIK niet door enig wettelijk voorschrift of enige bestuurlijke maatregel verplicht hun woon- en leefsituatie op een bepaalde wijze in te richten. Het gaat hier immers slechts om een gevolg van financiële aard dat door de wetgever is verbonden aan de op zichzelf - ook door appellanten - in vrijheid te maken keuze om de woon- en leefsituatie op een bepaalde wijze vorm te geven (vgl. CRvB

20 augustus 2002, LJN AK0010).

4.6. Appellant heeft aangevoerd dat hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft er op gewezen dat hij op het inlichtingenformulier, ondertekend op 6 september 2006 en op 7 september 2006 door het college ontvangen, heeft vermeld dat hij per 18 september 2006 een kamer huurt op het adres [adres ]. Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWIK is appellant gehouden aan het college onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. Met het aankondigen van zijn verhuizing begin september 2006, waarbij appellant naar eigen zeggen eveneens een getekend huurcontract heeft ingeleverd, heeft hij het college niet volledig geïnformeerd. Dit geldt temeer omdat appellant heeft aangegeven dat de overige verstrekte informatie op het inlichtingenformulier van 6 september 2006 ziet op de periode voorafgaande aan zijn verhuizing. Appellant was gehouden om op, of kort na, zijn verhuizing per 15 september 2006 het college - verder - te informeren over zijn nieuwe, gewijzigde woonsituatie. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij van het hebben van gezamenlijk hoofdverblijf met zijn ex-echtgenote en moeder van zijn kinderen melding aan het college had moeten maken. Dat appellant, naar aanleiding van de aankondiging van zijn verhuizing, niet opnieuw een inlichtingenformulier heeft toegezonden gekregen van het college, wat hiervan ook zij, ontslaat appellant niet van zijn verplichting tot het onverwijld verstrekken van juiste en volledige informatie.

4.7. Appellanten hebben aangevoerd dat het onderzoek door de sociale recherche onvolledig, ondeugdelijk en onzorgvuldig is. Appellanten hebben hierbij verwezen naar onjuistheden over het huurcontract van [adres 2] en onjuistheden in de verbruikersgegevens van Nuon en Vitens. Uit het rapport blijkt dat onderzoek is gedaan over een langere periode dan de periode hier aan de orde. De door appellanten aangehaalde gegevens zien niet op de periode hier aan de orde en zijn niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd, zodat deze verder geen bespreking behoeven.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat appellanten over de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellanten hebben daarvan geen melding gemaakt bij het college. Het college was dan ook op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWIK gehouden om de uitkering over deze periode in te trekken.

4.9. Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraken 1 en 2 voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.

bestreden besluiten 4 en 5

4.10 Uit 4.8 volgt dat het college gehouden is met toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWIK de gemaakte kosten van de uitkering van appellant terug te vorderen. Dit bedrag is door het college over de periode van 15 september 2006 tot en met 29 juni 2007 vastgesteld op € 8.281,82 bruto. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de WWIK heeft het college de bevoegdheid deze kosten mede van appellante terug te vorderen.

4.11. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, blijkt uit de bijlagen bij de bestreden besluiten 4 en 5 welke bruto bedragen per maand aan appellant betaalbaar zijn gesteld, welke inhoudingen hierop hebben plaatsgevonden en welke netto bedragen aan appellant feitelijk zijn uitbetaald. Deze netto bedragen corresponderen met de bedragen die staan op de door appellant overgelegde bankafschriften. Hiermee is voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de bruto berekening van de terugvordering tot stand is gekomen.

4.12. De stelling van appellant dat hem destijds te lage netto bedragen zijn uitbetaald, kan hem niet baten, reeds omdat hij tegen die uitbetalingen geen rechtsmiddelen heeft aangewend.

4.13. Uit 4.10 tot en met 4.12 volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten 4 en 5 ongegrond moeten worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 14 juli 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J.M. Tason Avila

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.