Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
12-4225 AWBZ-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Voldoende spoedeisend belang. Verzoek om een indiciatie voor de functie Begeleiding groep. Verzoeker heeft geen enkele zorginhoudelijke onderbouwing voor zijn claim gegeven. Het door hem gestelde financiële belang kan naar zijn aard geen grondslag bieden voor de door hem gewenste indicatie. Onder die omstandigheden moet de voorzieningenrechter het ervoor houden dat CIZ terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de criteria voor Begeleiding groep. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4225 AWBZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[A. te B.] (verzoeker)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Datum uitspraak: 24 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft [B.] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 juni 2012, 11/168, (aangevallen uitspraak). Voorts is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2012. Voor verzoeker is [B.] verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus en O. Talhaoui.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker, geboren op [geboortedatum], heeft als gevolg van een ongeval in 1991 een hoge dwarslaesie. Hij is verlamd vanaf zijn nek en heeft last van spasmen. Hierdoor is verzoeker rolstoelafhankelijk en heeft hij hulp nodig bij alle dagelijkse levensverrichtingen. Verzoeker is geïndiceerd voor zorg ingevolge de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). In augustus 2008 is de indicatie van verzoeker herbeoordeeld in verband met de beëindiging van de mantelzorg van verzoeker door zijn partner, die vanaf 2008 niet langer bij verzoeker woont.

1.2. Op 18 september 2008 heeft CIZ een indicatiebesluit genomen voor indicatie verblijf langdurig in de vorm van een zorgzwaartepakket (ZZP) LG05 met een geldigheidsduur van 18 september 2008 tot 18 september 2013. Bij besluit van 8 april 2009 heeft CIZ het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 september 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 juni 2010, 09/692, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 8 april 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat CIZ een nieuw besluit dient te nemen.

1.3. Op 20 september 2010 heeft verzoeker in verband met slaapapneu een nieuwe aanvraag om zorgindicatie ingevolge de AWBZ ingediend. Bij besluit van 27 december 2010 heeft CIZ opnieuw beslist op het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 18 september 2008. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) heeft CIZ het besluit van 27 december 2010 herzien en een nieuw besluit genomen. Verzoeker is voor de volgende functies geïndiceerd:

- verblijf langdurig, klasse 7, 7 etmalen per week, van 18 september 2008 tot

18 september 2013;

- persoonlijke verzorging, klasse 8, 20-24,9 uur per week, van 18 september 2008 tot

18 september 2013;

- ondersteunende begeleiding algemeen, klasse 4, 7 tot 9,9 uur per week, van

18 september 2008 tot en met 31 december 2008;

- begeleiding individueel, klasse 4, 7 tot 9,9 uur per week, van 1 januari 2009 tot

18 september 2013;

- verpleging klasse 1, 1 tot 1,9 uur per week, van 18 september 2008 tot en met

19 september 2010;

- verpleging klasse 3, 4 tot 6,9 uur per week, van 20 september 2010 tot 18 september 2013.

2.1. In beroep heeft verzoeker een brief van revalidatiearts M. Vos van 27 december 2011 overgelegd, in welke brief wordt geconcludeerd dat verzoeker in staat is om enkele uren per dag alleen thuis te blijven. CIZ heeft vervolgens het medisch advies van A.C.J. van der Kevie, medisch adviseur, overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat verzoeker niet is aangewezen op de functie Verblijf.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard wegens schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in plaats van de zorgfunctie Verblijf ten onrechte niet is geïndiceerd voor de zorgfunctie Begeleiding groep. Hij heeft gesteld dat de gestelde indicatie niet toereikend is om zijn zorgverleners te kunnen betalen voor de nachtdiensten. Verzoeker wil tot een ophoging van zijn persoonsgebonden budget (pgb) komen door middel van een indicatie voor de functie Begeleiding groep.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Allereerst is relevant de vraag of in de gegeven omstandigheden sprake is van voldoende spoedeisend belang. De in het verzoekschrift omschreven financiële situatie van verzoeker en de daarop ter zitting van de voorzieningenrechter gegeven nadere toelichting leiden tot het aannemen van spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorziening. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat hij met ingang van september 2012 niet langer in staat is om zijn zorgverleners hun salaris te betalen. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat de (geld)nood van verzoeker hoog is.

4.3. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.4.1. De voorzieningenrechter stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat verzoeker de omvang van de indicatie voor de zorgfuncties Verpleging, Persoonlijke verzorging en Begeleiding individueel niet bestrijdt. Het is hem op dit moment enkel te doen om een indicatie voor de functie Begeleiding groep. Hij komt op dit moment op jaarbasis

€ 20.000,-- te kort voor de betaling van zijn zorgverleners. Indien hij de maximale indicatie voor Begeleiding groep zou krijgen, staat daar een pgb van € 21.000,-- tegenover.

4.4.1. De voorzieningenrechter stelt tevens vast dat het bestreden besluit inhoudt dat Begeleiding in groepsverband voor verzoeker niet aan de orde is omdat hij een goede cognitie en een uitstekend regievermogen heeft, waardoor hij in staat is zijn wensen te verwoorden, sociaal te communiceren en persoonlijke contacten te onderhouden. Verzoeker is volgens dat besluit niet van een vaste structuur afhankelijk, zodat een georganiseerde dagbesteding niet aan de orde is.

4.4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker ermee heeft volstaan te stellen dat de wet- en regelgeving ruimte biedt om Begeleiding groep te indiceren en dat hij daar een groot financieel belang bij heeft. Verzoeker heeft echter geen enkele zorginhoudelijke onderbouwing voor zijn claim gegeven. Het door hem gestelde financiële belang kan naar zijn aard geen grondslag bieden voor de door hem gewenste indicatie. Onder die omstandigheden moet de voorzieningenrechter het ervoor houden dat CIZ terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de criteria voor Begeleiding groep.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat er naar voorlopig oordeel geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2012.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) J.T.P. Pot