Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
10-2322 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en langdurigheidstoeslag wegens overschrijding van het vrij te laten vermogen uit verkoop van de echtelijke woning en van een erfdeel van betrokkenes vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2322 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 maart 2010, 09/4042 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

Datum uitspraak: 11 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.M. Peusen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 23 december 2002 tot 1 januari 2008 in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering algemene bijstand en laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij toekenningsbesluit van 8 mei 2003 is het vermogen vastgesteld op € 2.325,29 negatief. Bij besluit van 7 december 2004 is het vermogen per 3 november 2004 vastgesteld op € 2.274,71 wegens de ontvangst van een bedrag van € 4.600,-- uit verkoop van de echtelijke woning. Daarbij is aangegeven dat de grens van het toen voor appellante vrij te laten vermogen

€ 5.065,-- is en dat nog een vrij te laten vermogen resteert van € 2.790,29. Bij besluit van 24 juli 2007 is aan appellante meegedeeld dat het vermogen per 29 december 2006 is vastgesteld op € 424,71 wegens de ontvangst van een erfdeel van haar vader. Vermeld is tevens dat het vrij te laten vermogen € 2.495,-- bedraagt.

1.2. Bij besluit van 25 maart 2009 heeft het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 december 2007 tot een bedrag van € 1.458,08 bruto van appellante teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat aan appellante uit de nalatenschap van haar op [overlijdensdatum] overleden vader in december 2006 € 2.750,-- en in oktober 2008 € 1.935,23 is uitbetaald. Becijferd is dat sprake was van een overschrijding van het vrij te laten vermogen met € 1.779,94. Van appellante is vervolgens de totale bruto verleende bijstand tot een bedrag van € 1.458,08 teruggevorderd. Bij datzelfde besluit is de eerder toegekende langdurigheidstoeslag 2008 ingetrokken en tot een bedrag van € 341,-- van haar teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard en is het terug te vorderen bedrag aan algemene bijstand beperkt tot een netto bedrag van € 862,38.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen de intrekking van de langdurigheidstoeslag gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

De terugvordering van algemene bijstand

4.1. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt kan tot terugvordering worden overgegaan.

4.2. Het college was bevoegd de kosten van bijstand van appellante terug te vorderen voor zover het totaal van de onder 1.2 genoemde bedragen van de beschikbaar gekomen erfenis, met inachtneming van de op [overlijdensdatum] (peildatum) aanwezige overige vermogensbestanddelen en de toepasselijke vermogensgrens, het nog resterende deel van het vrij te laten vermogen te boven ging.

4.3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college diende uit te gaan van het bij besluit van 24 juli 2007 vastgestelde vermogen. Dit betoog slaagt niet, aangezien het appellante duidelijk was, zoals ter zitting van de Raad is erkend, dat het in dat besluit ging om een voorlopige tussentijdse vermogensvaststelling in afwachting van de definitieve afwikkeling van de nalatenschap van haar vader. Dit had in ieder geval als direct gevolg dat de lopende aanvullende bijstand kon worden voortgezet. Het college was na het beschikbaar komen van het totaalbedrag van de erfenis voor de terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB evenwel niet gehouden om zonder meer van deze tussentijdse voorlopige vaststelling uit te gaan, te minder nu daarvoor een andere peildatum ([overlijdensdatum] in plaats van 29 december 2006) geldt en daarbij overigens - gelet op een eerder besluit van 7 december 2004 - onjuiste feitelijke gegevens zijn gehanteerd.

4.4. Gelet op het voorgaande kan dan ook niet worden gezegd dat appellante, mede in het licht van de bij de toekenning van de bijstand ruim gehanteerde vermogensgrens, met de terugvordering van het bedrag van € 862,38 tekort is gedaan. Immers, bij juiste toepassing van artikel 34 van de WWB zou het resterende vrij te laten vermogen van appellante per 3 november 2004 zijn vastgesteld op € 465,--, terwijl appellante nadien een bedrag van in totaal € 4.529,94 als erfenis van haar vader heeft ontvangen. Het hoger beroep treft in zoverre dan ook geen doel.

De intrekking en terugvordering van de langdurigheidstoeslag

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat appelante tijdens de in acht te nemen referteperiode heeft beschikt over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Dit betekent dat hierin, gelet op artikel 36, eerste lid, onder a, van de WWB, zoals deze bepaling ten tijde in geding luidde, een beletsel was gelegen voor toekenning van de langdurigheidstoeslag.

4.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB over te gaan tot intrekking van de over 2008 verleende langdurigheidstoeslag. De wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt is verder niet bestreden. Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 341,--. Tegen deze terugvordering zijn in hoger beroep geen specifieke gronden gericht.

4.7. Het hoger beroep slaagt ook in zoverre niet.

4.8. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. de Jong