Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
11-6166 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto of - bus waar appellant zijn scootmobiel en/of een elektrische rolstoel in kan rijden en kan meenemen. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig.

Uitblijven van een beslissing op het bezwaar: verzoek om toekenning van een dwangsom. Het bestuursorgaan heeft de instemming voor verder uitstel niet uitdrukkelijk aan appellant gevraagd en appellant ook geen schriftelijke instemming voor verder uitstel heeft gegeven. Instemming mag niet worden verondersteld. Nu het college heeft nagelaten expliciet toestemming voor opschorting van de beslistermijn aan appellant te vragen en evenmin is gebleken dat appellant schriftelijk toestemming heeft gegeven voor opschorting van de beslistermijn, is de beslistermijn niet opgeschort. Toekenning dwangsom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2055
ABkort 2012/323
USZ 2012/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6166 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

8 september 2011, 10/972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)

Datum uitspraak: 19 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 9 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. P. Breedveld. Voor het college zijn verschenen mr. G.A.A.M. de Kort en J.H. Schippers. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in nader overleg tot een oplossing te komen. Op 19 juni 2012 heeft mr. drs. Breedveld de Raad bericht dat partijen er niet in zijn geslaagd tot een oplossing te komen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is alleenstaand, woont in een flat en beschikt over een personenauto. Appellant is beperkt in zijn mobiliteit. Appellant ontvangt van het college een scootmobiel in bruikleen en een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto.

1.2. Op 16 augustus 2009 heeft appellant bij het college op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een bruikleenauto of - bus waar hij zijn scootmobiel en/of een elektrische rolstoel in kan rijden en kan meenemen. Op die manier kan hij de afstand van zijn woning naar de gehandicaptenparkeerplaats overbruggen, kan hij zijn scootmobiel of elektrische rolstoel in de auto of bus meenemen en kan hij zich op de plaats van bestemming in zijn scootmobiel of elektrische rolstoel verplaatsen.

1.3. De arts W.A. Dingemans (Dingemans), medisch adviseur bij de Stichting SAP (SAP), heeft het college in een rapport van 29 augustus 2009 geadviseerd. Dingemans - die appellant thuis heeft bezocht, hem daar heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij de huisarts van appellant - heeft aangegeven dat gelet op de beperkingen van appellant een bruikleenbus niet noodzakelijk is en dat kan worden volstaan met een elektrische rolstoel en individueel rolstoeltaxivervoer.

1.4. Bij besluit van 16 november 2009 heeft het college - onder verwijzing naar het medisch advies van Dingemans van 29 augustus 2009 - de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft daarin meegedeeld dat er geen wijziging optreedt in de tot dan toe verstrekte vervoersvoorziening.

1.5. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 16 november 2009 gemaakte bezwaar heeft de arts J.A.C. de Bekker (De Bekker), medisch adviseur van de Stichting SAP, op 5 oktober 2010 gerapporteerd. Op basis van een huisbezoek en informatie van de huisarts van appellant heeft De Bekker geconcludeerd dat gelet op de medische beperkingen van appellant een aangepaste autobus niet noodzakelijk is.

1.6. Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2009 heeft appellant op 15 november 2010 beroep bij de rechtbank ingesteld. Daarbij heeft hij een ingebrekestelling van 20 juli 2010 overgelegd waarin is vermeld dat op 9 juni 2010 de wettelijke beslistermijn is verstreken.

1.7. Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 november 2009 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat gelet op de medische rapportages van Dingemans en De Bekker en de vervoersbehoefte van appellant geen sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift op het besluit van 16 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft de rechtbank afgewezen omdat zij in het veelvuldige schriftelijke contact tussen partijen na 20 juli 2010 geen aanwijzing heeft gezien dat appellant het advies van SAP niet langer wilde afwachten. Gelet op de instemming met het opschorten van de beslistermijn is niet houdbaar dat de termijn voor het beslissen op het bezwaar op 9 juni 2010 verstreken zou zijn, zoals in het formulier dwangsom van 20 juli 2010 is vermeld. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de adviezen van de medisch adviseurs De Bekker en Dingemans geoordeeld dat het college terecht de gevraagde vervoersvoorziening in de vorm van een autobus heeft geweigerd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd en zich onder meer op het standpunt gesteld dat het college vanaf juli 2010 een dwangsom verschuldigd is omdat niet tijdig op het bezwaarschrift is beslist en dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de standpunten van partijen in hoger beroep spitst het geding zich toe op de vragen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen dwangsom is verschuldigd en of het medisch onderzoek op basis waarvan toekenning van een autobus is geweigerd onzorgvuldig is geweest.

4.2.1. Met betrekking tot de grond dat de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het college geen dwangsom aan appellant heeft verbeurd wordt het volgende overwogen.

4.2.2. Appellant heeft op 17 december 2009 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 16 november 2009. Op 3 februari 2010 heeft appellant zijn bezwaargronden aangevuld. Op 25 februari 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat zonder tegenbericht er van wordt uitgegaan dat appellant ermee instemt dat de beslistermijn wordt opgeschort gedurende de termijn dat het verzoek om medisch advies wordt behandeld door de medisch adviseur van SAP. Op 20 juli 2010 heeft appellant aan het college meegedeeld dat op 9 juni 2010 de wettelijke termijn om te beslissen op zijn aanvraag is verstreken en dat indien niet binnen twee weken een besluit wordt genomen, het college aan hem een dwangsom verschuldigd is.

4.2.3. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb was het college gehouden om binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken na indiening van het bezwaarschrift te beslissen. Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen en op grond van het vierde lid van dat artikel is verder uitstel mogelijk indien - onder meer - de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt. Bij toepassing van deze uitstelmogelijkheden is vereist dat het bestuursorgaan daarvan op grond van artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb schriftelijk mededeling doet aan belanghebbende(n).

4.2.4. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:14 van de Awb, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op het bezwaarschrift niet tijdig wordt gegeven, aan de indiener van een bezwaarschrift een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is gebleven, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,-- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,-- per dag en de overige dagen € 40,-- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4.2.5. In artikel 4:18 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

4.2.6. Vastgesteld wordt dat het bestuursorgaan de instemming voor verder uitstel als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, van de Awb niet uitdrukkelijk aan appellant heeft gevraagd en appellant ook geen schriftelijke instemming voor verder uitstel heeft gegeven. Instemming mag niet worden verondersteld. Nu het college heeft nagelaten expliciet toestemming voor opschorting van de beslistermijn aan appellant te vragen en evenmin is gebleken dat appellant schriftelijk toestemming heeft gegeven voor opschorting van de beslistermijn, is de beslistermijn niet opgeschort.

4.2.7. De brief van 20 juli 2010 moet als ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb aangemerkt worden. Dat partijen na 20 juli 2010 over het verkrijgen van informatie van de huisarts van appellant in verband met een nadere medische rapportage hebben gecorrespondeerd, betekent niet dat appellant (alsnog) heeft ingestemd met het opschorten van de beslistermijn.

4.2.8. Uit de rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.7 volgt dat de termijnen als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, zijnde twee weken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het college van appellant een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen, zijn verstreken.

4.2.9. Het college heeft nagelaten een dwangsom aan appellant toe te kennen. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 4:18 van de Awb.

4.2.10. Dit betekent dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep ten aanzien van de dwangsom ongegrond is verklaard - dient te worden vernietigd. De Raad zal gelet op artikel 8:55c, van de Awb bepalen dat het bestuursorgaan aan appellant verbeurt een dwangsom van € 1.260,--.

4.3. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderzoeken van de artsen Dingemans en De Bekker voldoende zorgvuldig en uitgebreid zijn geweest treft geen doel. Voor een weergave van de relevante wettelijke bepalingen en overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Verder heeft appellant zijn stelling dat door deze artsen geen gedegen rapporten zijn opgemaakt, dat zij de ernst van de beperkingen onvoldoende hebben onderkend en dat slechts een neuroloog in staat is te oordelen over de gezondheidstoestand van appellant in hoger beroep niet onderbouwd met een medische contra-expertise of andere medische stukken. Dit leidt tot de conclusie dat het college zich terecht heeft gebaseerd op de adviezen van De Bekker en Dingemans en de aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een auto of bus terecht heeft afgewezen.

4.4. Hetgeen overigens is aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt voor wat betreft de grond dat ten onrechte geen dwangsom verbeurd is verklaard. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden begroot op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Anders dan de rechtbank heeft gedaan wordt voor de kosten in beroep twee punten toegekend. Dit betekent dat de kosten worden begroot op € 764,75, zijnde € 874,-- verminderd met het door de rechtbank toegekende bedrag van € 109,25.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de dwangsom;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2010 voor zover daarbij geen

dwangsom is verbeurd verklaard gegrond;

- bepaalt dat het college aan appellant een bedrag van € 1.260,-- aan dwangsom verbeurt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.638,75;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 153,-- vergoedt;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) P.J.M. Crombach