Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
10-1732 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant beschikt over voldoende inkomsten uit arbeid om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/320
USZ 2012/305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1732 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/3005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak 18 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Apistola, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 11/3764 WWB en 11/7021 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Apistola. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Heiden. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 november 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 23 oktober 2008 heeft appellant een arbeidsovereenkomst met de Stichting Arbeidsmarkt en Werkprojecten Nederland (SAWN) gesloten voor de duur van één jaar. Met ingang van 1 november 2008 is appellant gedurende 28 uur per week werkzaamheden gaan verrichten tegen een brutosalaris van € 949,62 per maand.

1.3. Bij besluit van 25 november 2008 is de bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 november 2008 op de grond dat hij vanaf die datum over voldoende inkomsten uit arbeid beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien.

1.4. Bij besluit van 19 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - betoogd dat, doordat hij de arbeidsovereenkomst bij SAWN heeft ondertekend en de werkzaamheden is gaan verrichten, hem de mogelijkheid is ontnomen om de vraag of hij al dan niet geschikt was voor deze werkzaamheden aan de orde te stellen. Indien hij had geweigerd de arbeidsovereenkomst te ondertekenen dan was hem een maatregel opgelegd. Dit wilde hij juist voorkomen. Volgens appellant kon hij de aan hem aangeboden werkzaamheden vanwege lichamelijke klachten niet verrichten. Daarnaast ervaart hij deze eenvoudige inpakwerkzaamheden als dwangarbeid en is op geen enkele wijze rekening gehouden met de door hem als zelfstandige verrichte werkzaamheden als belastingconsulent. Ten slotte is inmiddels de redelijke termijn overschreden en verzoekt hij in verband hiermee om schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 november 2008 de aan hem in het kader van een re-integratietraject aangeboden werkzaamheden gedurende 28 uur per week is gaan verrichten en dat hij hiermee een inkomen heeft verworven boven de voor hem geldende bijstandsnorm, zodat hij met ingang van die datum geen recht op bijstand meer had.

4.2. Appellant wil met zijn bezwaar, beroep en hoger beroep tegen de intrekking van de bijstand bereiken dat hij de principiële vraag aan de orde kan stellen of hij al dan niet geschikt was voor de aan hem aangeboden werkzaamheden. Hij stelt dat hem daartoe de mogelijkheid is ontnomen.

4.3. Het college heeft appellant geen ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB verleend. In het kader van die arbeidsverplichtingen heeft het college appellant bij brief van 20 oktober 2008 uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek bij de SWAN. Daarbij heeft het college meegedeeld dat appellant een jaarcontract krijgt aangeboden bij SWAN, omdat hij een geschikte kandidaat is voor het project Workstar. Verder is meegedeeld dat deelname aan dit gesprek niet vrijblijvend is, omdat appellant beschikbaar moet zijn voor algemeen geaccepteerde arbeid en al het mogelijke moet doen om aan werk te komen. Daaronder valt ook het tekenen van het hem aan te bieden contract. Als hij deze verplichtingen niet nakomt, heeft dat mogelijk gevolgen voor zijn uitkering. In deze brief is niet vermeld dat daartegen een rechtsmiddel openstaat. Tijdens het op 21 oktober 2008 gehouden gesprek heeft SWAN appellant een arbeidsovereenkomst voor een parttime dienstverband van 28 uur per week voor de duur van één jaar aangeboden. Volgens de tekst van die overeenkomst biedt SWAN deze aan op grond van een overeenkomst met het college. Het doel van de overeenkomst is mede om de werknemer zo snel mogelijk aan langdurig zelfstandig werk te helpen.

4.4. In het licht van de onder 4.3 genoemde feiten moet deze arbeidsovereenkomst worden gezien als een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Met de brief van 20 oktober 2008 heeft het college appellant verplicht hiervan gebruik te maken. Daarmee heeft het college de algemene arbeidsverplichtingen van appellant geconcretiseerd. Dit is op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Daarom moet die brief in zoverre als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt, dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 28 juli 2009, LJN BJ4443 en van 6 oktober 2009, LJN BK0399. Dit betekent dat appellant, anders dan hij betoogt, wel tegen de passendheid van de aangeboden voorziening kon opkomen zonder een maatregel wegens het niet benutten daarvan te riskeren.

4.5. Appellant heeft deze arbeidsovereenkomst op 23 oktober 2008, onder voorbehoud van goedkeuring door zijn advocaat, ondertekend. Hierna is appellant met ingang van 1 november 2008 de werkzaamheden gaan verrichten. Appellant heeft hierover wel contact met zijn advocaat gehad, maar heeft zich niet tot het college heeft gewend om zijn bezwaren tegen de hem aangeboden werkzaamheden kenbaar te maken. Nu appellant die bezwaren eerst op 18 december 2009 kenbaar heeft gemaakt, en gericht heeft tegen het besluit van 25 november 2008, is hij hiermee te laat en richt hij zich tegen het verkeerde besluit. Daaraan doet niet af dat in de brief van 20 oktober 2008 een vermelding van de mogelijkheid van bezwaar ontbrak. Appellant had zich immers al gedurende de bezwaartermijn tegen het in die brief opgenomen besluit laten bijstaan door een professionele hulpverlener, voor wie het besluitkarakter van de brief redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 juni 2011, LJN BR0151. Daarom kan de door hem gewenste beoordeling van de hem aangeboden werkzaamheden in dit geding niet plaatsvinden. De daarop gerichte gronden moeten dus onbesproken blijven.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7. Appellant heeft ten slotte verzocht om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 26 januari 2009, LJN BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Voor de thans voorliggende zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van appellant op 19 december 2009 tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen vier jaren verstreken. Gelet op de totale behandelingsduur is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

4.8. Uit hetgeen is overwogen onder 4.7 volgt dat het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

HD