Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
11-2630 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering hoofdstuk IV WW. Provisieaanspraak. Als gevolg van het faillissement van de werkgever heeft appellant niet kunnen werken. Dit is een voor rekening van de werkgever komende oorzaak. In de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat recht bestaat op provisie van 5% van de omzet. De Raad voorziet zelf in de zaak door aan appellant provisie toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 64
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/44
USZ 2012/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2630 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 maart 2011, 09/1073 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 26 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 2 januari 2002 in dienst bij [naam werkgever] (werkgever) in de functie van verkoper. Hij heeft op 27 januari 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) nadat zijn werkgever op 20 januari 2009 in staat van faillissement was verklaard, en de curator bij brief van 23 januari 2009 zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd.

1.2. Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het Uwv aan appellant een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW toegekend. Daarbij is, voor zover in dit geding van belang, aan provisie over de periode van 25 oktober 2008 tot en met 23 januari 2009 een bedrag van € 8.449,48 toegekend. De provisie over de maanden februari en maart 2009 is niet overgenomen door het Uwv op de grond dat omzetprovisie wordt betaald tot en met de laatste gewerkte dag. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 9 september 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant, voor zover gemaakt tegen het toegekende bedrag aan provisie, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, voor zover van belang, dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad uitsluitend de provisie die is opgebouwd in de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW genoemde termijnen voor overneming in aanmerking komt. Op grond hiervan komt over de periode van 25 oktober 2008 tot en met 6 maart 2009 alleen de al opgebouwde provisie voor overneming in aanmerking. Appellant heeft tijdens de opzegtermijn niet gewerkt en daardoor in deze periode ook geen provisie opgebouwd. Om die reden komt de door appellant geclaimde provisie over de opzegtermijn volgens de rechtbank niet voor overneming in aanmerking.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat ook de provisie over de opzegtermijn, zijnde de periode van 24 januari 2009 tot en met 6 maart 2009, dient te worden overgenomen. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat uit de jurisprudentie van de Raad niet blijkt dat niet-opgebouwde provisie niet voor overneming in aanmerking kan komen. Volgens appellant kan dit wel, namelijk als wordt aangenomen dat de provisie op grond van artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is verschuldigd en de verschuldigdheid valt binnen de periode zoals genoemd in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een uitspraak van de Raad van 21 september 2005, LJN AU3980.

4.1. Ter beoordeling ligt voor of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit, voor zover dit oordeel betrekking heeft op de door appellant gestelde provisieaanspraak over de periode van 24 januari 2009 tot en met 6 maart 2009. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Uit vaste rechtspraak (zie onder meer CRvB 5 maart 2008, LJN BD1436) volgt dat een vordering alleen voor overneming op grond van Hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt, indien deze duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig is.

4.3. Op grond van artikel 7:628, eerste lid, van het BW behoudt de werknemer het recht op het naar tijdsruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt, indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, als loon beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.

4.4. Niet in geschil is dat appellant tijdens de in geding zijnde periode geen arbeid heeft verricht uitsluitend wegens het faillissement van de werkgever. Dit is een voor rekening van de werkgever komende oorzaak, zodat appellant op grond van artikel 7:628, eerste lid, van het BW recht op loon heeft behouden. In de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat appellant recht heeft op een provisie van 5% van het (netto) omzetbedrag. Uit de loonstroken van appellant over het jaar voorafgaande aan 24 januari 2009 blijkt dat provisie een telkenmale terugkerend en wezenlijk loonbestanddeel was. Niet aan twijfel is onderhevig dat appellant, indien hij zijn verkoopwerkzaamheden had kunnen voortzetten, over de periode van

24 januari 2009 tot en met 6 maart 2009 loon in de vorm van provisie zou hebben behouden. Dit betekent dat de vordering van appellant met betrekking tot provisie over deze periode voor overneming op grond van Hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt.

4.5. Ter bepaling van de hoogte van het voor overneming in aanmerking komende bedrag aan provisie kan worden aangesloten bij de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW genoemde termijnen en het bedrag aan provisie dat door het Uwv al is overgenomen over de periode van 25 oktober 2008 tot en met 23 januari 2009. Nu een bedrag van 6/13 van € 8.449,48 hoger is dan het door appellant in beroep gevorderde bedrag, welke vordering hij ter zitting bij de Raad desgevraagd heeft gehandhaafd, zal het door het Uwv over te nemen bedrag aan provisie over de opzegtermijn worden bepaald op € 3.532,- bruto.

4.6. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. De Raad zal het besluit van 7 mei 2009 herroepen voor zover daarbij geen provisie is overgenomen over de opzegtermijn en zelf in de zaak voorzien.

5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente wordt toegewezen, omdat appellant als gevolg van het onrechtmatige besluit van 7 mei 2009 schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de provisie over de opzegtermijn. Op het Uwv rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958.

6. Voor een veroordeling in de kosten van appellant voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand bestaat aanleiding. Deze kosten worden begroot op € 874,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 september 2009 geheel in stand zijn gelaten;

-kent appellant € 3.532,- bruto toe aan provisie over de periode van 24 januari 2009 tot en met 6 maart 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 5 van deze uitspraak is vermeld;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 874,-;

-bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) P. Boer

GdJ