Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8321

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
11-4698 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ziekengeld. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van de verzekeringsartsen van het Uwv dat appellante geschikt te achten is voor haar arbeid onjuist is. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was geen sprake van een ernstige psychische stoornis met zodanige beperkingen dat appellante daardoor ongeschikt zou zijn voor haar werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4698 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2011, 11/1556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 26 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Ali, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012.

Appelante is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Na de behandeling is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 15 augustus 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ali. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk tot eind december 2008 werkzaam als werkvoorbereider voor 40 uur per week via een uitzendbureau. Van 26 april 2009 tot 16 augustus 2009 ontving zij een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Appellante heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving op 25 januari 2010 ziek gemeld met rugklachten. Daarnaast is zij bekend met nek-, schouder-, en polsklachten en verder psychische klachten waarvoor zij onder behandeling staat bij PsyQ.

In verband met haar ziekmelding is appellante op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien en onderzocht, voor het laatst op 19 november 2010. Daarbij heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat sprake was van lumbago en een depressieve periode in remissie en dat objectief medische beperkingen niet konden worden waargenomen. De verzekeringsarts heeft appellante hierop per 24 november 2010 geschikt geacht voor haar arbeid nu het fysiek lichte werkzaamheden betreft waarin sprake is van voldoende afwisseling in zitten, staan en lopen.

1.2. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 19 november 2010 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 november 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 5 januari 2011 - bij besluit van 10 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en geoordeeld dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te komen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het standpunt van de verzekeringsartsen onjuist is. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat er een medische noodzaak bestaat dat appellante extra pauzes moet inlassen om de werkzaamheden te kunnen verrichten.

3. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten omdat haar klachten nog steeds niet over zijn. Voor haar psychische klachten staat zij nog steeds onder behandeling bij PsyQ en krijgt zij medicatie. Ten tijde van het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen was deze medicatie tijdelijk gestopt in verband met de zwangerschap. Er is ten onrechte niet geïnformeerd bij de psychiater of het staken van de medicatie ook het gevolg is geweest van de afname van de psychische klachten van appellante en niet uitsluitend het gevolg is geweest van de zwangerschap. Ook voor haar rugklachten staat zij nog steeds onder behandeling van de fysiotherapeut/manueel therapeut. Deze behandeling is weer hervat na de zwangerschap omdat de rugklachten nog niet zijn verholpen. Appellante is voorts van mening dat artikel 19, vijfde lid, van de ZW van toepassing is op grond waarvan het Uwv dient om te kijken naar soortgelijke werkgevers, met dien verstande dat de aan appellante toekomende privileges - inhoudende twee keer per dag extra pauzeren om bij te komen van haar werkzaamheden, alsook eventueel in een tussenruimte plaats nemen om te rusten, in verband met bij haar optredende ijzertekorten - weggedacht dienen te worden. Volgens appellante heeft de rechtbank op onjuiste wijze toepassing gegeven aan dit artikel.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. In het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, welke bepaling bij Wet van 12 december 2007 - houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, nr. 553) - is ingevoerd en met ingang van 1 januari 2008 in werking is getreden, is, voorzover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.3. De Raad stelt vast dat in de beschrijving die de verzekeringsarts in de rapportage van 19 november 2010 geeft van het laatste werk van appellante geen melding wordt gemaakt van de in rechtsoverweging 3 beschreven privileges. Ook in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 5 januari 2011 worden de privileges niet genoemd. Dat sprake was van privileges was de (bezwaar)verzekeringsartsen niet bekend. Dit is pas tijdens de beroepsprocedure naar voren gekomen. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben bij de beoordeling van de geschiktheid van appellante voor haar werk dan ook geen rekening gehouden met privileges. Nu het Uwv feitelijk is uitgegaan van de door appellante voorgestane maatstaf, namelijk het werk als werkvoorbereider zonder privileges, behoeft de door appellante aangevoerde grond met betrekking tot de toepassing van artikel 19, vijfde lid, van de ZW geen bespreking. Dat de rechtbank dit artikellid in de bestreden uitspraak heeft aangehaald maakt dit niet anders, nu de rechtbank in de uitspraak verwijst naar de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen en zij, zoals hiervoor vermeld, geen rekening gehouden hebben met de privileges.

4.4. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante gezien en lichamelijk onderzocht en de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat er op lichamelijk vlak aspecifieke klachten van het bewegingsapparaat zijn zonder opvallende afwijkingen. Er is weliswaar van een optimale fysieke belastbaarheid geen sprake maar er zijn geen argumenten om appellante niet geschikt te achten voor haar arbeid, waarin ruime afwisseling van houding mogelijk is en waarin de diverse taken, naar aard en belasting, als licht te bestempelen zijn. Op het psychische vlak is bij appellante sprake van een beeld van spanningsklachten dan wel een milde aanpassingsstoornis hetgeen echter geen belemmering vormt voor het verrichten van haar arbeid nu deze op psychisch vlak weinig belastend is. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de conclusie van de verzekeringsartsen van het Uwv dat appellante geschikt te achten is voor haar arbeid onjuist is. Ten aanzien van het in hoger beroep overgelegde huisartsenjournaal van 1 maart 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 12 maart 2012 geconcludeerd dat hieruit geen nieuwe gegevens naar voren komen. Hieruit blijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts opnieuw dat er rond de datum in geding geen sprake was van een ernstige psychische stoornis met zodanige beperkingen dat appellante daardoor ongeschikt zou zijn voor haar werk. Het verlaagde HB-gehalte was ook bekend. Daaruit vloeien enige energetische beperkingen voort maar niet zodanig dat ze tot ongeschiktheid voor het fysiek weinig belastende eigen werk leiden. Wat betreft de door appellante overgelegde rapportage van bedrijfsarts G. Baran van 3 augustus 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts er in zijn rapportage van 9 augustus 2012 op gewezen dat de bedrijfsarts de toestand van appellante na de tweede bevalling, ruim na de datum in geding, beschrijft. Voorts laat het onderzoek door de bedrijfsarts volgens de bezwaarverzekeringsarts geen inhoudelijk psychisch onderzoek zien zodat de diagnoses PTSS en depressie in samenhang met aanpassingsstoornis een inhoudelijke basis missen, laat staat dat deze zijn terug te voeren op de datum in geding. De conclusie van de bedrijfsarts dat appellant per 24 november 2010 ongeschikt te achten is mist volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook een medisch inhoudelijke onderbouwing. Er is gelet op de gedingstukken geen aanleiding het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportages van 12 maart 2012 en 9 augustus 2012 niet te onderschrijven.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) J.R. Baas

GdJ