Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
11-90 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over haar aandeel in het eigendomsrecht van het appartement. De verklaring van haar dochter en kleinzoon dat zij hun aandeel in het eigendomsrecht niet wilden verkopen is hiervoor onvoldoende. Dit geldt temeer nu appellante geen enkele poging heeft ondernomen te onderzoeken of zij haar aandeel in het eigendomsrecht te gelde kon maken, bijvoorbeeld door verkoop hiervan aan haar dochter, kleinzoon of anderszins. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/90 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 november 2010, 10/302 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 21 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Voor appellante is mr. Nijk verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante, geboren [in] 1937, ontving vanaf 4 juni 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van anonieme tips dat appellante een huis in [plaatsnaam] heeft en pensioen uit Rusland ontvangt, heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle en omstreken (sociale recherche) onderzoek gedaan. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer aan het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) gevraagd onderzoek te doen naar vermogen van appellante in Rusland en is appellante gehoord. Uit de onderzoeksgegevens van het IBF komt naar voren dat appellante op 12 februari 2002 een aandeel (1/3) in de eigendomsrechten van een appartement aan de [adres 1] gebouw [nummer], appartement [nummer] te

[plaatsnaam] heeft verworven. Haar dochter en kleinzoon hebben ieder eveneens een aandeel (1/3) in de eigendomsrechten van het appartement verworven op 12 februari 2002. Plaatselijke taxateurs hebben de marktwaarde van het appartement op 28 juli 2008 vastgesteld op 8.000.000,-- roebel en de marktwaarde van het aandeel van de eigendomsrechten van appellante op 1.855.000,-- roebel (€ 50.614,30). Appellante heeft erkend dat zij vanaf

12 februari 2002 voornoemd eigendom heeft verworven en dat zij van 1992 tot 12 februari 2002 maandelijks inkomsten uit een Russisch pensioen heeft ontvangen.

1.3. In afwachting van het onderzoek door de sociale recherche heeft het college bij besluit van 26 april 2007 de uitkering van appellante met ingang van 23 januari 2007 ingetrokken. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Vervolgens heeft het college op basis van de bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 17 maart 2009, bij besluit van 6 april 2009, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2010 (bestreden besluit) de bijstand van appellante van 4 juni 1996 tot 23 januari 2007 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 23 januari 2007 tot een bedrag van € 32.209,83 bruto van haar teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het door haar ontvangen Russisch pensioen en van haar aandeel in het eigendomsrecht van een appartement in [plaatsnaam]. Omdat de hoogte van het maandelijkse pensioen en de waarde van het appartement per februari 2002 niet meer kan worden vastgesteld, kan het recht op bijstand van 4 juni 1996 tot 23 januari 2007 niet worden beoordeeld. Het college heeft bij de vaststelling van de hoogte van de terugvordering over de periode van 1 juli 1997 tot 12 februari 2002 het terug te vorderen bedrag gematigd tot € 40,-- per maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de intrekking en de terugvordering van bijstand over de periode tot 12 februari 2002 niet langer in geding is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking en de terugvordering van bijstand over de periode

2 februari 2002 tot 23 januari 2007 tot een bedrag van € 29.344,06 in rechte stand houdt.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Haar aandeel in de eigendomsrechten van het appartement kan niet worden aangemerkt als een middel als bedoeld in artikel 31 van de WWB omdat appellante niet redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over dit middel om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. De beschikbaarheid ontbreekt, aangezien de tegeldemaking van een derde deel van de eigendom van een appartement feitelijk irreëel is. Subsidiair heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat uit het door haar in beroep overgelegde taxatierapport van 28 februari 2010 blijkt dat de waarde van het appartement in februari 2002 771.000,-- roebel is. Omgerekend naar haar eigendomsaandeel zou dit in februari 2002 slechts geleid hebben tot een geringe vermogensoverschrijding, zodat geen grond bestaat voor volledige terugvordering over de periode van 12 februari 2002 tot 23 januari 2007. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is alleen de waardebepaling per datum verkrijging van belang en blijft de waardeontwikkeling gedurende de periode daarna buiten beschouwing.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De beoordelingsperiode loopt van 12 februari 2002 tot 23 januari 2007.

4.2. Niet in geschil is dat appellante op 12 februari 2002 een aandeel (1/3) in eigendomsrechten heeft verworven van het in 1.2 genoemde appartement en dat zij hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college, zodat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag wat het gevolg hiervan is voor de bijstandsverlening aan appellante over de periode hier in geding.

4.3. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over haar aandeel in het eigendomsrecht van het appartement. De verklaring van haar dochter en kleinzoon dat zij hun aandeel in het eigendomsrecht niet wilden verkopen is hiervoor onvoldoende. Dit geldt temeer nu appellante geen enkele poging heeft ondernomen te onderzoeken of zij haar aandeel in het eigendomsrecht te gelde kon maken, bijvoorbeeld door verkoop hiervan aan haar dochter, kleinzoon of anderszins.

4.5. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. Het door appellante in beroep overgelegde taxatierapport van 28 februari 2010 bevat hiervoor geen aanknopingspunten. In dit verband heeft het college naar voren gebracht dat de waarde van het appartement op 28 februari 2010 is vastgesteld op 4.080.000,-- roebel, wat betekent dat de waarde ten opzichte van de taxatie op 28 juli 2008 bijna is gehalveerd. Met het college acht de Raad dit niet aannemelijk. Appellante heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Daarnaast is de waarde van het appartement in februari 2002 aan de hand van algemene historische gegevens van de gemiddelde aanbodprijzen op de woningmarkt van [plaatsnaam] vastgesteld op 771.000,-- roebel. Hierbij is geen rekening gehouden met specifieke kenmerken van het appartement, zoals het feit dat het is gelegen in het centrum van [plaatsnaam], waardoor de systematiek van de waardeberekening te algemeen is en niet van deze waardebepaling in februari 2002 kan worden uitgegaan. Evenmin blijkt uit het rapport de waardeontwikkeling over de periode hier in geding. In dit verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat de waardeontwikkeling gedurende de bijstandsverlening van invloed is op het recht op bijstand. Gegeven het vorenstaande bestond er in dit geval, anders dan appellante heeft betoogd, voor het college geen aanleiding het rapport van 28 februari 2010 voor te leggen aan het IBF voor een nadere reactie. Dat het appartement inmiddels op 5 februari 2011 is verkocht voor de prijs van, naar eigen zeggen, bijna 4.000.000,-- roebel maakt het voorgaande niet anders.

4.7. Uit 4.6 volgt dat de waarde van het aandeel van appellante in het appartement op 12 februari 2002 en ook nadien onduidelijk is gebleven en dat dit te wijten is aan de schending van de inlichtingenverplichting door appellante.

4.8. Nu als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, appellante in de periode in geding recht op bijstand heeft, was het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode in geding in te trekken. Tegen de gebruikmaking van de intrekkingbevoegdheid zijn geen gronden aangevoerd.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was de gemaakte kosten van de over de periode in geding verleende bijstand van appellante terug te vorderen. Het college heeft gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423, slaagt niet. Die uitspraak ziet op de situatie dat de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door haar voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. Daarvan is hier geen sprake.

4.10. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD