Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
11-21 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant was ten tijde hier van belang niet woonachtig op het uitkeringsadres, maar bij zijn vriendin in [gemeente 2], zodat appellant geen recht had op bijstand jegens het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/21 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 november 2010, 10/1100 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (college)

Datum uitspraak 25 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kuiper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Sintmaartensdijk. Voor appellant is, zoals bericht, niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 19 februari 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant had als woonadres [adres 1] te [gemeente 1] (uitkeringsadres) opgegeven.

1.2. Uit bankafschriften, die appellant in september 2009 bij een periodiek heronderzoek had overgelegd, bleek dat appellant veelvuldig in [gemeente 2] pinbetalingen deed. Daarop heeft de sociale recherche nader onderzoek gedaan. In dat kader is onder meer appellant gehoord, zijn waarnemingen gedaan en is het verbruik door appellant van nutsvoorzieningen nagegaan. Nadat van de woningbouwvereniging en van de wijkagent het signaal was ontvangen dat buren ongerust waren omdat zij appellant lange tijd niet hadden gezien, en appellant bij een bezoek aan zijn woning thuis niet werd aangetroffen, is telefonisch contact gelegd met appellant. Daarop heeft op 27 januari 2010 een aangekondigd huisbezoek plaatsgevonden, waarbij appellant opnieuw is gehoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van

4 februari 2010.

1.3. Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2009 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 2009 tot 1 januari 2010 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.473,95 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn woonplaats niet langer in [gemeente 1] had, waarvan hij ten onrechte geen mededeling had gedaan aan het college.

1.4. Bij besluit van 19 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant betwist niet dat hij veelvuldig van huis is geweest. Dat heeft volgens hem geleid tot een laag verbruik van nutsvoorzieningen. Hij verklaart zijn afwezigheid door zijn werk in [gemeente 2] en het verlenen van mantelzorg voor zijn vriendin in [gemeente 2]. Hij heeft niet beoogd bij zijn vriendin te gaan wonen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Dat appellant, zoals hij stelt, niet heeft beoogd bij zijn vriendin te wonen, is dus niet doorslaggevend.

4.2. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat appellant ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het uitkeringsadres, maar bij zijn vriendin in [gemeente 2], zodat appellant geen recht had op bijstand jegens het college. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op het lage verbruik van nutsvoorzieningen op het uitkeringsadres, de bevindingen van het huisbezoek op 27 januari 2010 - een nagenoeg lege koelkast, verder geen levensmiddelen en een dichtgedraaide gaskraan - en twee verklaringen van de buren dat appellant al lange tijd niet was gezien. Verder is van belang dat appellant op 27 januari 2010 heeft verklaard dat zijn dagelijkse spullen bij zijn vriendin in [gemeente 2] zijn en dat hij, sinds hij in [gemeente 2] werkt, hoofdzakelijk bij zijn vriendin in [gemeente 2] is.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J. de Jong

HD