Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
11-519 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand voor de duur van één maand met 100%. Geen deugdelijke grondslag. Niet kan worden staande gehouden dat aan het re-integratietraject voortijdig een einde is gekomen door aan appellante te verwijten gedragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/519 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 2010/536 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak 25 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 augustus 2012. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In maart 2009 heeft appellante bij Taxipoort een re-integratietraject (met baangarantie) tot taxichauffeur ondertekend. Op 20 maart 2009 heeft appellante de cursus levensreddende handelingen succesvol afgerond, waarna zij op 27 maart 2009 is gestart met het theoretisch deel van de basisopleiding taxichauffeur. Op 8 mei 2009 is appellante, nadat zij hiervoor op

9 april 2009 was gezakt, geslaagd voor het theoretische gedeelte van de opleiding. Op 19 mei 2009 is appellante gezakt voor het praktijkexamen. Uit de voortgangsrapportage van Taxipoort van 3 juni 2009 blijkt dat appellante zich gedurende het traject inzet zoals van haar verwacht mag worden. Haar houding is positief en gemotiveerd.

1.3. Op 2 september 2009 heeft Taxipoort een eindrapportage opgesteld. Hieruit blijkt dat in juni 2009 is besloten dat appellante, in afwachting van het behalen van het praktijkexamen, een leerwerktraject zou gaan volgen. De Inspectie Verkeer en Waterstaat (Inspectie) zou na een medische keuring, een tijdelijke chauffeurspas afgeven waarmee appellante voor een periode van maximaal vier maanden alvast aan het werk zou kunnen gaan als chauffeur in het leerlingenvervoer. Appellante is vervolgens op 13 juli 2009 medisch gekeurd. Zij is toen afgekeurd, zodat het leerwerktraject geen doorgang kon vinden. Nadat appellante op 25 augustus 2008 opnieuw is gezakt voor het praktijkexamen, is het re-integratietraject beëindigd. De houding van appellante naar zowel de opleider, de examinatoren, de gemeente, als de begeleiders van Taxipoort, nekt haar, aldus de rapporteur in de eindrapportage. Op 1 september 2009 heeft de Inspectie een Geneeskundige verklaring taxi afgegeven, waaruit blijkt dat appellante medisch ongeschikt is verklaard voor de functie van taxichauffeur.

1.4. Bij besluit van 29 september 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2010 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2009 voor de duur van één maand met 100% verlaagd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het traject bij Taxipoort voortijdig is beëindigd door de houding en het gedrag van appellante tijdens (met name) het praktijkexamen op 25 augustus 2009 en de gesprekken hierover. Het niet afronden van het traject moet volgens het college worden aangemerkt als het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en het volgende aangevoerd. Volgens appellante is de maatregel ten onrechte aan haar opgelegd. Het traject bij Taxipoort is ten onrechte passend voor haar geacht. Daarnaast betwist appellante dat zij onvoldoende medewerking aan het traject heeft verleend. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat haar houding en instelling dermate verwijtbaar zijn geweest dat het voor appellante kenbaar moet zijn geweest dat dit nadelige gevolgen voor haar WWB uitkering zou kunnen hebben. Bovendien is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat door medische ongeschiktheid het traject niet met succes afgerond had kunnen worden. Ten slotte is de opgelegde maatregel, gelet op de feiten en omstandigheden, niet proportioneel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de Afstemmingsverordening Wwb 2007 van de gemeente Venlo (Afstemmingsverordening).

4.2. Artikel 8, aanhef en onder 3, sub c, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat onder een gedraging van de derde categorie, waardoor een verplichting op grond van artikel 9 van de WWB niet of onvoldoende is nagekomen, wordt verstaan het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling, scholing of zelfstandige participatie, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject. Indien sprake is van een gedraging van de derde categorie wordt op grond van artikel 9, onder c, van de Afstemmingsverordening de bijstand voor de duur van 1 maand met 100% verlaagd.

4.3. Vaststaat dat in de eindrapportage van 2 september 2009 van Taxipoort wordt vermeld dat appellante op 13 juli 2009 om medische redenen is afgekeurd voor de functie van taxichauffeur en dat dit in de weg stond aan de afgifte van een tijdelijke chauffeurspas. Het feit dat de arbo-arts zorgvuldigheidshalve nog contact zou opnemen met de behandelend KNO-arts van appellante, doet daar niet aan af. Deze medische ongeschiktheid van appellante voor de werkzaamheden van taxichauffeur, maakte een succesvolle afronding van het traject zinledig. Het betoog van het college in het aanvullend verweerschrift dat de Inspectie appellante eerst na het beëindigen van het traject, namelijk op 1 september 2009, medisch ongeschikt heeft verklaard, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de ongeschiktheid van appellante al in het kader van de keuring voor de tijdelijke chauffeurspas in juli 2009 was vastgesteld. Daargelaten nog dat voor de verweten gedragingen tijdens het praktijkexamen op 25 augustus 2009 wegens het ontbreken van concrete verslaglegging weinig aanknopingspunten voorhanden zijn, kan onder deze omstandigheden niet staande worden gehouden dat aan het re-integratietraject voortijdig een einde is gekomen door aan appellante te verwijten gedragingen.

4.4. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu de beschikbare gegevens geen grondslag bieden voor het standpunt dat appellante zich schuldig zou hebben gemaakt aan een andere maatregelwaardige gedraging, ziet de Raad, mede met het oog op een finale beslechting van het geschil, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 29 september 2009 te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 maart 2010;

-herroept het besluit van 29 september 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 maart 2010;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,--:

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) V.C. Hartkamp

HD