Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
11/2880 WWB + 11/6780 WWB + 12/213 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlagingen bijstandsuitkering. Niet naleven verplichtingen ingevolge de WWB. Door de activeringsgesprekken af te zeggen is appellant de verplichting tot medewerking aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet nagekomen. Wat appellant heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt, dat zijn medische problematiek in de weg heeft gestaan aan het verschijnen voor de activeringsgesprekken. Beroep op artikel 4, tweede lid, van het EVRM en artikel 8, derde lid, van het IVBPR slaagt niet, reeds omdat geen sprake is van een concreet aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling dan wel gesprekken daarover. De omvang van de verlagingen is in overeenstemming met de Afstemmingsverordening. De grond dat appellant door een cumulatie van de drie verlagingen onevenredig wordt benadeeld, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2880 WWB, 11/6780 WWB, 12/213 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2011, 11/683, 27 april 2011, 11/1002 en 5 oktober 2011, 11/3648 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 25 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G. Meijer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Voor appellant is verschenen mr. Meijer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 maart 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 6 april 2010 heeft de klantmanager van appellant bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam appellant uitgenodigd voor een gesprek op 28 april 2010 over zijn mogelijkheden op het gebied van werk, arbeidsre-integratie en participatie. Bij brief van 15 april 2010 heeft appellant te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn bij het gesprek. Als reden heeft appellant opgegeven dat de DWI tot dan toe niet in staat is geweest een passend traject aan te bieden dat aansluit bij zijn mogelijkheden en dat een gesprek naar de mening van appellant niet kan bijdragen aan het vinden van passend werk.

1.3. Bij brief van 28 april 2010 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 7 mei 2010.

Per e-mail van 6 mei 2010 heeft appellant onder verwijzing naar de in de brief van 15 april 2010 genoemde argumenten te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn bij het gesprek. Appellant benadrukt dat hij ervan overtuigd is dat de DWI hem niet kan helpen bij het vinden van passend werk.

1.4. Bij besluit van 10 mei 2010 (besluit 1) heeft het college, met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam (Afstemmingsverordening), de bijstand van appellant verlaagd met € 200,--. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door niet te verschijnen op een oproep voor het activeringsgesprek, ernstig tekort is geschoten in het verlenen van de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

1.5. Bij besluit van 2 augustus 2010 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

1.6. Bij brieven van 31 mei 2010, 23 juni 2010, 7 juli 2010 en 29 juli 2010 is appellant uitgenodigd voor een activeringsgesprek met zijn klantmanager op onderscheidenlijk 15 juni 2010, 9 juli 2010, 22 juli 2010 en 10 augustus 2010. Appellant is niet op deze uitnodigingen ingegaan, waarbij hij de laatste drie gesprekken heeft afgezegd wegens gezondheidsredenen. In antwoord op het verzoek van de DWI bij brief van 12 augustus 2010 om bewijsstukken van de medische oorzaak om niet voor de gesprekken te verschijnen, heeft appellant een afschrift van een brief van AGIS Zorgverzekeringen (AGIS) van 16 juli 2010 toegezonden waarin een door AGIS in 2010 ten behoeve van hem betaald bedrag voor medicijnen van € 936,20 wordt genoemd.

1.7. Bij brief van 16 november 2010 heeft de DWI appellant laten weten de brief van AGIS niet te accepteren als bewijs en hem verzocht een machtiging te ondertekenen waarmee het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij een behandelend arts of specialist van appellant informatie kan inwinnen om zijn belastbaarheid voor werk of een re-integratietraject vast te stellen. Bij brief van 6 december 2010 heeft appellant te kennen gegeven dat hij in verband met zijn recht op privacy geen toestemming geeft voor het opvragen van medische gegevens.

1.8. Bij besluit van 21 december 2010 (besluit 2) heeft het college, met toepassing van artikel 3a, eerste lid, van de Afstemmingsverordening, de bijstand van appellant verlaagd met € 400,--. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant binnen een jaar na een eerder besluit tot afstemming opnieuw ernstig tekort is geschoten in het verlenen van de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

1.9. Bij besluit van 8 februari 2011 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

1.10. Bij brieven van 9 maart 2011 en 4 april 2011 is appellant uitgenodigd voor een activeringsgesprek op onderscheidenlijk 28 maart 2011 en 18 april 2011. Appellant heeft beide uitnodigingen afgezegd onder verwijzing naar de eerder gemelde gezondheidsredenen.

1.11. Bij besluit van 1 juni 2011 (besluit 3) heeft het college, met toepassing van artikel 3a, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, de bijstand van appellant gedurende een maand verlaagd met 100%. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant binnen een half jaar na een besluit tot afstemming als bedoeld in het eerste lid opnieuw ernstig tekort is geschoten in het verlenen van de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

1.12. Bij besluit van 22 juli 2011 (bestreden besluit III) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Daarbij heeft appellant, samengevat en voor zover thans nog van belang, het volgende aangevoerd. De DWI kan op het gebied van werk en gezondheid niets voor hem betekenen. Hij heeft een chronische aandoening waarvoor hij dagelijks medicatie gebruikt. Door hem te verplichten tot deelname aan een traject of gesprekken daarover wordt op hem psychische dwang uitgeoefend. Er is dan ook sprake van dwangarbeid dan wel schending van het verbod op verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 8, derde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Hij wenst een functie op zijn gebied als natuurkundige. Een traject van de DWI biedt geen maatwerk. Door zijn gezondheidsproblemen is sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid in verband met het niet verschijnen voor de gesprekken. Het college heeft ten onrechte geen aanleiding gezien de maatregelen te matigen. Hij wordt door de cumulatie van de maatregelen onevenredig benadeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.3. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de Afstemmingsverordening.

4.4. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het verlenen van de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

4.5. Artikel 3a, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt, voor zover van belang, dat het college bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, de bijstand met € 200,-- extra verlaagt, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in dat lid genoemde opzichten, nadat nog geen jaar is verlopen na een eerder besluit tot afstemming.

4.6. Artikel 3a, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt, voor zover van belang, dat het college, in afwijking van het eerste lid, de bijstand gedurende een maand met 100% verlaagt, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten, nadat nog geen half jaar is verlopen na een besluit tot afstemming met toepassing van het eerste lid of dit lid zelf.

4.7. Ingevolge artikel 4 van de Afstemmingsverordening, voor zover van belang, houdt het college bij zijn oordeel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de belanghebbende, waarbij het college rekening kan houden met eerdere gedragingen van de belanghebbende waarin deze tekortschoot in de naleving van de op hem rustende verplichtingen ingevolge de WWB.

4.8. Artikel 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het college de verlaging lager kan vaststellen als de belanghebbende door het bedrag van de verlaging of het percentage van de verlaging onredelijk zwaar wordt getroffen.

4.9. Door de activeringsgesprekken af te zeggen is appellant de verplichting tot medewerking aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet nagekomen. Wat appellant heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt, dat zijn medische problematiek in de weg heeft gestaan aan het verschijnen voor de activeringsgesprekken. De onder 1.6 genoemde brief van AGIS is daartoe onvoldoende. Dat appellant met een beroep op zijn recht op privacy niet bereid was om de onder 1.7 genoemde machtiging te ondertekenen, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

4.10. Het betoog van appellant dat door de verplichting om deel te nemen aan een traject of gesprekken daarover sprake is van dwangarbeid dan wel verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het EVRM en artikel 8, derde lid, van het IVBPR slaagt niet, reeds omdat geen sprake is van een concreet aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling dan wel gesprekken daarover. De activeringsgesprekken waren slechts bedoeld om de mogelijkheden van appellant op het gebied van werk, arbeidsre-integratie en participatie te inventariseren, waarbij ook de door appellant gestelde gezondheidsproblemen aan de orde zouden komen. De grond dat in het geval van appellant geen sprake is van maatwerk, kan daarom ook buiten bespreking blijven.

4.11. De omvang van de verlagingen is in overeenstemming met onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, artikel 3a, eerste lid, en artikel 3a, tweede lid, van de Afstemmingsverordening.

Wat appellant heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het college aanleiding moesten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met de artikelen 4 en 5, eerste lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging op een lager bedrag vast te stellen. De grond dat appellant door een cumulatie van de drie verlagingen onevenredig wordt benadeeld, slaagt niet. Appellant heeft met zijn volharding om niet op de activeringsgesprekken te verschijnen, de mogelijke uitstroom naar betaalde arbeid belemmerd. Dit rechtvaardigt de opgelegde maatregelen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de financiële gevolgen hiervan voor hem onredelijk zwaar waren.

4.12. Uit 4.9 tot en met 4.11 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken dienen dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J.M. Tason Avila

HD