Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
10/1715 WWB + 10/1716 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. Aangezien appellanten niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk hebben gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend, kan niet worden vastgesteld of zij in de te beoordelen periode (aanvullend) recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel waren nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1715 WWB, 10/1716 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 februari 2010, 09/1303 en 09/1304 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant ] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)

Datum uitspraak 25 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Burhenne. Voor appellante is mr. Burhenne verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.C. van der Haar.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellanten ontvingen sinds 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Op 18 december 2007 heeft de Regiopolitie Limburg-Noord in een bij de woonwagen van appellanten aan de [adres 1] te [gemeente] behorende berging (schuur) en in het tuinhuis twee volledig ingerichte maar niet in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen. Het college heeft vervolgens een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Bij dit onderzoek zijn de processen-verbaal betrokken die in het kader van de strafrechtelijke procedure tegen appellant zijn opgemaakt. Daaronder bevindt zich een op 27 februari 2008 gesloten proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin is uitgegaan van twee eerdere oogsten. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van Nederweert van 6 januari 2009. In dit rapport heeft de sociale recherche uitdrukkelijk verwezen naar de daarbij als bijlagen gevoegde processen-verbaal van 17 en 18 december 2007, 3 januari 2008 en 27 februari 2008.

1.4. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft het college bij onderscheiden besluiten van 20 januari 2009 de bijstand aan appellanten over de periode van 23 juli 2007 tot en met 17 december 2007 (te beoordelen periode), met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.398,96 van hen teruggevorderd.

1.5. Bij onderscheiden besluiten van 28 juli 2009 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 20 januari 2009, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 14 juli 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de omvang van de op 18 december 2007 aangetroffen ontmantelde hennepkwekerijen en de daarin aangetroffen apparatuur is sprake geweest van een tweetal professionele kwekerijen. Dat is tussen partijen ook niet (langer) in geschil. Ook staat vast dat appellanten het college daarover niet hebben geïnformeerd. Appellanten hebben betwist dat zij deze hennepkwekerijen hebben geëxploiteerd. Op 18 december 2007 heeft appellant tegen de politie verklaard dat de woning en de daarbij behorende schuur (berging) eigendom zijn van de woningbouwvereniging, dat het tuinhuis zijn eigendom is, dat hij de lampen en de bakken langs de weg heeft zien liggen, dat hij die toen heeft meegenomen en de bakken in het tuinhuis heeft geplaatst. Over de in de berging (schuur) aangetroffen bakken heeft appellant verklaard dat deze daar al stonden, toen hij daar ongeveer dertien jaar geleden kwam wonen. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij de door de politie in de berging (schuur) en het tuinhuis aangetroffen spullen heeft gevonden in de oud ijzerbakken bij de ingang van het woonwagenkamp. Volgens appellant waren het gebruikte tweedehandsspullen. Appellant heeft ook verklaard dat hij die spullen in het tuinhuis heeft geplaatst en neergezet en dat het zijn bedoeling was om bij gelegenheid met het telen van hennep te beginnen.

4.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 15 april 2008, LJN BC9675) rechtvaardigt het feit dat in de bij de woning van appellanten behorende schuur (berging) en het tuinhuis hennepkwekerijen zijn aangetroffen de vooronderstelling dat zij (mede) eigenaar van die kwekerijen zijn geweest en dat opbrengst daarvan (ook) hun ten goede is gekomen. Het is dan aan appellanten om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat dit anders is. Voor zover appellanten hebben bedoeld te betogen dat zij geen (mede) eigenaar van de kwekerijen zijn (geweest), zijn zij in die bewijslast, gelet op de hiervoor in 4.1 weergegeven verklaringen, niet geslaagd. Daarbij is tevens meegewogen dat appellanten geen volledige openheid van zaken hebben gegeven, bij voorbeeld over de vraag wie de kwekerijen heeft ingericht.

4.3. De aanwezigheid van hennepkwekerijen als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het aan een betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van bijstand. Door hiervan geen melding te maken hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan door appellanten is betoogd, is hiervan niet pas sprake vanaf het moment dat uit een hennepkwekerij inkomsten worden verworven. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 23 november 2010, LJN BO4811) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Daarom faalt het betoog van appellanten dat zij hun inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om appellant niet strafrechtelijk te vervolgen (sepot) aan dit oordeel niet afdoet, nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is dan in het bestuursrecht.

4.4. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.5. Het college is voor het vaststellen van de te beoordelen periode uitgegaan van twee oogsten. Daarbij is het college uitgegaan van de bevindingen, neergelegd in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 februari 2008. Uit dit proces-verbaal komt naar voren dat er stof lag op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen in de berging en het tuinhuis. Het stoffilter van de koolstofcilinder in de berging was grijs gekleurd (nieuw doek is wit), wat betekent dat dit filterdoek al langere tijd in gebruik was. Aan de onderzijde van de in beide kwekerijen aangetroffen plantenpotten zat een dikke laag kalkaanslag, wat ook weer duidt op langdurig gebruik. Voorts zijn in beide ruimten gedroogde resten van hennepplanten aangetroffen. In het tuinhuis lag een knipschaar met daarop een bruine aanslag (positief getest). In dat tuinhuis zijn ook twee aangebroken, nagenoeg lege, 5 liter jerrycans Hy-Pro en een aangebroken 1 literfles Ferro PH aangetroffen. In de bij de woning van appellanten behorende tuin lag een bruine doos met een tray voor hennepstekjes, met daarin gedroogde hennepresten. Ook lagen daar druppelaars en een deel van het waterbevloeiingssysteem op een berg aarde, waarin ook resten van hennepplanten zijn aangetroffen. Ten slotte zijn zeven, behoorlijk met insecten bevuilde, insectenbestrijders aangetroffen. Op grond van deze bevindingen mocht het college het ervoor houden dat appellanten in de te beoordelen periode twee oogsten hebben gehad, activiteiten hebben ontplooid met betrekking tot de kwekerijen en dat de opbrengsten van de kwekerijen aan appellanten ten goede zijn gekomen.

4.6. Zoals in 4.3 overwogen, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien appellanten niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk hebben gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend, kan niet worden vastgesteld of zij in de te beoordelen periode (aanvullend) recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel waren nagekomen. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten over bedoelde periode verleende bijstand in te trekken. Appellanten hebben de uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was om de kosten van bijstand over de te beoordelen periode terug te vorderen. Het betoog van appellanten dat het niet redelijk is de ten behoeve van de kinderen verleende bijstand terug te vorderen, treft geen doel. De bijstand is verleend als gezinsbijstand ten behoeve van het door appellanten en hun kinderen gevormde gezin. Er bestaat geen ruimte om in het kader van de terugvordering de bijstand te splitsen in een deel dat ten behoeve van appellanten en in een ander deel dat ten behoeve van de kinderen is verleend. Voor zover appellanten hebben willen betogen dat het college van terugvordering op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk had moeten afzien, faalt dat betoog, reeds omdat het in het geheel niet is onderbouwd.

4.8. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P.C. de Wit

HD