Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
10/2588 WWB + 10/2589 WWB + 10/6727 WWB + 10/6728 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene 1, gedeeltelijke ontheffing arbeidsverplichtingen. Betrokkene 2, geen ontheffing arbeidsverplichtingen. Anders dan de rechtbank is de Raad met appellant van oordeel dat de door betrokkenen aangevoerde bezwaren niet zodanig zijn dat die leiden tot twijfel over de juistheid van het uitgebrachte medisch advies dan wel of de totstandkoming daarvan wel zorgvuldig was. Hetgeen betrokkene 2 heeft aangevoerd over haar zorgtaken voor haar echtgenoot (betrokkene 1) is ontoereikend om als dringende redenen aan te merken voor een ontheffing.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2588 WWB, 10/2589 WWB, 10/6727 WWB, 10/6728 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 maart 2010, 09/3625 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (appellant)

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] te [woonplaats]

Datum uitspraak 25 september 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. M.E.F. Bredo, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.B. van Schijndel-van Peer. Betrokkenen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen ontvangen vanaf 1 november 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Aan betrokkene 1 was op medische gronden volledige ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen. Aan betrokkene 2 was vanwege haar zorgtaken voor haar echtgenoot in zoverre ontheffing verleend dat deze verplichtingen op haar rustten voor twintig uur per week.

1.3. In verband met een herijking van deze volledige en gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen heeft de arts H. van Eijnsbergen (Van Eijnsbergen), werkzaam bij het re-integratiebedrijf Frame B.V., in december 2008 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht om de belastbaarheid van betrokkenen vast te stellen. Voor betrokkene 1 is vastgesteld dat sprake is van verminderde functionele mogelijkheden voor het verrichten van arbeid als gevolg van de ziekte van Crohn. De voor hem geldende beperkingen zijn weergegeven in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Na overleg van medewerkers van appellant met betrokkenen is de opgestelde FML aangepast in die zin dat voor betrokkene 1 in verband met zijn opstartproblemen in de ochtenduren en zijn gewrichts- en vermoeidheidsklachten een urenbeperking van twintig uur per week redelijk werd geacht. Voor betrokkene 2 is geen FML opgesteld, omdat zij niet als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid. Aangezien bij het onderzoek van betrokkene 1 niet was gebleken van een noodzakelijke zorgtaak door derden kon de door betrokkene 2 geclaimde zorgtaak voor haar echtgenoot niet worden bevestigd.

1.4. Bij besluit van 13 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2009 (bestreden besluit), heeft appellant betrokkene 1 in zoverre ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB dat deze verplichtingen voor hem gelden voor twintig uur per week en betrokkene 2 geen ontheffing van de arbeidsverplichtingen verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Over betrokkene 1 heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de keurend arts een toereikende basis vormde voor het besluit van 13 maart 2009. Naar het oordeel van de rechtbank had het evenwel op de weg van appellant gelegen om, gezien de bezwaren die betrokkene 1 tegen het besluit van 13 maart 2009 heeft aangevoerd, in samenhang met het gegeven dat betrokkene 1 in ieder geval geen uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft ondergaan en geen informatie van de huisarts bij de beoordeling was betrokken, een arts in te schakelen om de medische gronden van het bezwaar te onderzoeken. Door dit na te laten heeft geen volledige heroverweging van het besluit van 13 maart 2009 plaatsgevonden. Ook in de aanvullende gronden van beroep inzake betrokkene 1 had appellant aanleiding kunnen zien een arts te raadplegen om het bestreden besluit te voorzien van een aanvullende motivering. Aangezien denkbaar werd geacht dat een nieuw te nemen besluit over de arbeidsverplichtingen van betrokkene 1 invloed zal hebben op de verplichtingen die aan betrokkene 2 kunnen worden opgelegd in verband met haar zorgtaak voor haar echtgenoot, heeft de rechtbank het bestreden besluit in volle omvang vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant is van mening dat alleen aanleiding bestaat voor een nieuw of aanvullend medisch onderzoek als de betrokkene met concrete medische gegevens kan aantonen dat het uitgebrachte medisch advies niet juist is. Betrokkenen hebben in bezwaar aangevoerd dat zij het niet eens zijn met het besluit van 13 maart 2009, maar hebben dit niet onderbouwd met een medisch advies. Om die reden heeft appellant terecht geen aanvullend medisch onderzoek laten verrichten. Appellant kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank het bestreden besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd acht, nu betrokkenen eerst in beroep met een medische onderbouwing komen. Dat betrokkenen in de loop van de beroepsprocedure medische gegevens hebben ingebracht vormde voor appellant geen reden voor een nader medisch onderzoek ter onderbouwing van het bestreden besluit. Over betrokkene 2 heeft appellant aangevoerd dat niet gebleken is van een zorgtaak. Bovendien kunnen zorgtaken alleen als een dringende reden voor ontheffing van de arbeidsverplichting worden gezien als geen voorziening kan worden getroffen. Appellant wijst erop dat voor zorgtaken een persoonsgebonden budget (PGB) kan worden aangevraagd.

4. Betrokkenen hebben in verweer aangevoerd dat juist de mondelinge verklaringen van betrokkene 1 in de bezwaarfase voldoende waren om een nader medisch onderzoek in te stellen, aangezien zijn klachten zo divers waren dat een kort onderzoek in de primaire fase niet een duidelijk beeld konden geven over zijn beperkingen. Door betrokkene 1 is uitdrukkelijk gevraagd om informatie op te vragen bij zijn behandelend artsen, maar dit heeft appellant niet gedaan. In de beroepsfase heeft betrokkene 1 meerdere verklaringen van artsen overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een aanvullend medisch onderzoek dient plaats te vinden. Over betrokkene 2 is in verweer aangevoerd dat haar zorgtaak altijd door appellant is erkend en dat over het aanvragen van een PGB niet eerder is gesproken.

5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant verzekeringsarts C.M. van Mierlo, werkzaam bij Argonaut Advies, geraadpleegd. Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkenen tegen het besluit van 13 maart 2009 opnieuw ongegrond verklaard. Op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht zal het besluit van 11 oktober 2010 mede in de beoordeling worden betrokken.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (voor zover hier van belang) is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid. Verder is bepaald dat zorgtaken als dringende redenen kunnen worden aangemerkt voor zover daarmee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB.

6.2. Tussen partijen is primair in geschil of appellant in de bezwaren die betrokkenen tegen het besluit van 13 maart 2009 hebben aangevoerd, aanleiding had moeten zien een arts in te schakelen om dit besluit op zorgvuldige wijze te kunnen heroverwegen.

6.2.1. In het bezwaarschrift hebben betrokkenen aangevoerd dat er geen adequate keuring heeft plaatsgevonden, dat uit de vraagstelling van Van Eijnsbergen aan de behandelend internist blijkt dat hij niet op de hoogte is van de klachten die bij de ziekte van betrokkene 1 voorkomen en dat een klacht is ingediend bij het Medisch Tuchtcollege tegen de wijze waarop de keuring heeft plaatsgevonden. Aangezien de keurend arts geen idee heeft van de beperkingen van betrokkene 1, hoe weinig hij fysiek aankan en niet op de hoogte is van zijn medicatie en de daarmee verband houdende risico’s is ten onrechte aangenomen dat betrokkene 2 geen zorgplicht heeft voor haar echtgenoot. Tijdens de hoorzitting hebben betrokkenen in aanwezigheid van de door hen meegebrachte gepensioneerd verzekeringsarts herhaald dat het onderzoek door Van Eijnsbergen niet zorgvuldig is geweest en aangevoerd dat de gezondheidstoestand van betrokkene 1 sinds de vorige keuring, waarbij hij volledig werd afgekeurd, alleen maar slechter is geworden.

6.2.2. Anders dan de rechtbank is de Raad met appellant van oordeel dat de door betrokkenen aangevoerde bezwaren niet zodanig zijn dat die leiden tot twijfel over de juistheid van het uitgebrachte medisch advies dan wel of de totstandkoming daarvan wel zorgvuldig was.

Van Eijnsbergen is op basis van eigen onderzoek en de opgevraagde informatie bij dr. F.H.J. Wolfhagen, de behandelend internist van betrokkene 1, zoals weergegeven in het uitgebrachte advies, tot een gemotiveerd standpunt gekomen over de gezondheidsklachten van betrokkene 1, waaronder met name gewrichts- en vermoeidheidsklachten, en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Uit het advies blijkt op grond van welke gegevens het tot stand is gekomen en welke procedure daarbij is gevolgd. Betrokkenen hebben in bezwaar niet concreet te kennen gegeven dat de gegevens waarop het advies is gebaseerd onjuist dan wel onvolledig zijn. Evenmin hebben zij concrete gegevens verstrekt waaruit blijkt dat sinds een vorige keuring een verslechtering van de gezondheidstoestand van betrokkene 1 is opgetreden. Het advies vermeldt dat ook de huisarts van betrokkenen om informatie is gevraagd en dat alleen gegevens zijn ontvangen van de behandelend internist. Betrokkenen hebben in bezwaar niet aangevoerd dat de huisarts beschikt over wezenlijk andere of nieuwe informatie die van belang is voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van

betrokkene 1.

6.3. Het oordeel van de rechtbank dat appellant in de aanvullende gronden van beroep inzake betrokkene 1 aanleiding had moeten zien een arts te raadplegen om het bestreden besluit te voorzien van een aanvullende motivering, kan evenmin worden onderschreven. Het bestuursorgaan is niet gehouden naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd een beslissing op bezwaar alsnog nader te motiveren, zodat op appellant niet de verplichting rustte om tijdens de beroepsprocedure aanvullend medisch onderzoek te laten verrichten. Uit het in beroep ingezonden medisch journaal van de huisarts van 24 december 2009 kan niet worden afgeleid dat het bestreden besluit berust op een onjuist of ontoereikend medisch advies. Dit journaal, voor zover het ziet op de gezondheidstoestand van betrokkene 1 ten tijde van het besluit van 13 maart 2009, vermeldt naast de actuele medicatie alleen de ontvangen gegevens van dr. Wolfhagen, reumatoloog dr. H.L.M. Brus en oogarts J.F. Tromp. Van Eijnsbergen is, blijkens het uitgebrachte advies, door betrokkene 1 op de hoogte gesteld van deze informatie en heeft die correct in het advies weergegeven. In beroep is tevens de brief van dr. Wolfhagen van 22 december 2008 aan Van Eijnsbergen ingezonden. In het medisch advies is de essentie van deze brief correct geciteerd. Aangezien dr. Wolfhagen in deze brief opgave heeft gedaan van de medicatie, was Van Eijnsbergen daarvan op de hoogte. Het standpunt van betrokkene 1 dat hij in het geheel niet in staat is om te werken is ook niet met medische gegevens onderbouwd.

6.4. Hetgeen betrokkene 2 heeft aangevoerd over haar zorgtaken voor haar echtgenoot is ontoereikend om als dringende redenen aan te merken voor een ontheffing van de arbeidsverplichtingen ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB. Uit de gedingstukken blijkt niet dat betrokkene 1 hulpbehoevend of verzorgingsbehoeftig is. Dat betrokkene 2 hem bij het opvlammen van zijn klachten moet verzorgen, zoals gerapporteerd door Van Eijnsbergen, is daartoe niet voldoende. De omstandigheid dat appellant betrokkene 2 in verband met haar zorgtaken tevoren gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen heeft verleend, betekent op zichzelf niet dat, gelet op de nieuwe medische beoordeling, deze ontheffing zou moeten worden voortgezet. Om die reden heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen dringende redenen bestonden om betrokkene 2 nog langer gedeeltelijke ontheffing van deze verplichtingen te verlenen.

6.5. Uit hetgeen in 6.2 tot en met 6.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 13 juli 2009 ongegrond verklaren. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is tevens de grondslag aan het besluit van 11 oktober 2010 komen te ontvallen, zodat dit besluit eveneens moet worden vernietigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2009 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 11 oktober 2010.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) P.C. de Wit

HD