Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
11-2743 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(straf) Ontslag. Vruchtbare samenwerking met appellant is niet meer mogelijk.Toenemend intimiderend en agressief gedrag en appellant heeft zelfs niet voor hem bestemde e-mail berichten van medewerkers van de afdeling P&O gelezen en bewaard.

Schorsing en ontzegging van de toegang. Het beroep tegen dit onderdeel is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen gronden tegen dit onderdeel heeft ingebracht die zijn te onderscheiden van die tegen het andere onderdeel (ontslag) van het bestreden besluit. Gezien het oordeel van de Raad over dit andere onderdeel is geen plaats aanwezig voor de opvatting dat het college niet in redelijkheid tot het nemen van het besluit heeft kunnen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2743 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 april 2011, 10/3917 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [S.] (college)

Datum uitspraak: 20 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. C.J.M. Scheen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.T.B. Salomons, advocaat, en R.C. Rusman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker Interne Controle bij de afdeling Financiën van de gemeente [S.]. Op 20 februari 2006 heeft appellant zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Op 23 december 2008 is overleg tussen partijen gevoerd over de mogelijkheden het verleden te laten rusten. Afgesproken is dat appellant niet zou terugkeren naar de afdeling Financiën en op 1 februari 2009 zou beginnen te re-integreren bij het [D.].

1.2. Omdat het college voornemens was appellant onvoorwaardelijk ontslag te verlenen, heeft het hem bij besluit van 24 juli 2009 (besluit 1) met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Den Haag (ARG) geschorst; tevens heeft het college hem hierbij op grond van artikel 15:1:19 van de ARG de toegang tot alle werkterreinen van de dienst Stadsbeheer ontzegd. Bij besluit van 28 september 2009 (besluit 2) heeft het college appellant (primair) met toepassing van artikel 8:13 van de ARG met onmiddellijke ingang strafontslag verleend; subsidiair met toepassing van artikel 8:8 van het ARG ingaande 1 november 2009 ontslag verleend wegens een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie en meer subsidiair met toepassing van artikel 8:6 van het ARG ingaande

1 oktober 2010 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking. Bij besluit van 3 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college na door appellant gemaakte bezwaren besluit 1 gehandhaafd en besluit 2 herroepen voor zover dit de primaire en meer subsidiaire ontslaggronden betreft. Het college heeft besluit 2 gehandhaafd waar het gaat om ontslag op de subsidiaire grond; tevens heeft het college appellant alsnog een bedrag van € 15.000,- als financiële compensatie toegekend alsmede een bedrag van € 7.500,- voor re-integratie naar ander werk.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen de handhaving van besluit 1 en ongegrond verklaard voor zover dit was gericht tegen de (gedeeltelijke) handhaving van besluit 2. De niet-ontvankelijkverklaring berust op de overweging dat appellant met betrekking tot besluit 1 geen concrete beroepsgrond heeft ingediend.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het ontslag

3.1. Appellant heeft uitsluitend bezwaar tegen het opgelegde ontslag als zodanig; (de hoogten van) de bij het ontslag toegekende geldbedragen blijven hier dus buiten beschouwing.

3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat vruchtbare samenwerking met appellant niet meer mogelijk is. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank min of meer uitvoerig weergegeven welke concrete feiten en omstandigheden tot dit standpunt hebben geleid. Volgens de rechtbank bieden deze voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat sprake was van een onherstelbare impasse. De Raad deelt dit oordeel evenals de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht. Zo heeft appellant in de loop van 2009 toenemend intimiderend en ook agressief gedrag laten zien en heeft hij zelfs niet voor hem bestemde e-mail berichten van medewerkers van de afdeling P&O gelezen en bewaard.

3.3. Het hoger beroep slaagt niet op dit onderdeel. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd.

De schorsing en ontzegging van de toegang

4.1. Het beroep van appellant bij de rechtbank is uitdrukkelijk gericht tegen beide onderdelen van het bestreden besluit (besluiten 1 en 2). De gronden die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd hebben, zoals hij heeft benadrukt, alle betrekking op beide onderdelen van het bestreden besluit. Gelet hierop kan, wat er ook zij van de inhoud van de door appellant aangevoerde gronden, niet worden staande gehouden dat appellant zijn beroep op dit onderdeel niet van gronden heeft voorzien. Daar komt bij dat in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorgeschreven dat de indiener van het beroep de gelegenheid krijgt het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen wil het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden. Niet gebleken is dat appellant deze gelegenheid heeft gehad.

5. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep tegen dit onderdeel ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom in zoverre worden vernietigd.

5.1. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting komt de Raad nu toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van appellant tegen dit onderdeel van het bestreden besluit.

5.2. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen gronden tegen dit onderdeel heeft ingebracht die zijn te onderscheiden van die tegen het andere onderdeel (ontslag) van het bestreden besluit. Gezien het oordeel van de Raad over dit andere onderdeel is geen plaats aanwezig voor de opvatting dat het college niet in redelijkheid tot het nemen van besluit 1 heeft kunnen overgaan.

5.3. Het beroep is op dit punt dus ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad in deze zin beslissen.

6. Hierin vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellant

niet-ontvankelijk is verklaard;

- verklaart het beroep op dit onderdeel ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 227,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2012.

(getekend) J.G. Treffers

De griffier is buiten staat te tekenen