Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7978

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
11-3422 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellante op zorgvuldige en juiste wijze is verricht. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding appellante te doen onderzoeken door een deskundige. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd, is er geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de geduide functies niet passend zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3422 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2011, 10/942 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. van Daalhuizen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een bezwaarverzekeringsgeneeskundig rapport van 29 juli 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2012. Voor appellante is verschenen mr. Van Daalhuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als helpende C en voedingsassistente in de thuiszorg. Vanuit een werkloosheidssituatie heeft zij zich op 24 mei 2007 ziek gemeld met diverse gewrichtsklachten, pijn in de beide flanken als gevolg van een in 2005 gedoneerde nier aan haar dochter en duizeligheidsklachten.

1.2. In het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 16 februari 2009 onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts concludeerde in zijn rapport van 16 maart 2009 dat de kracht en beweeglijkheid van de bovenste en onderste extremiteiten geen afwijkingen lieten zien. Ook lichamelijk onderzoek van beide flanken en voor de duizeligheidklachten lieten geen afwijkingen zien. Op grond van haar persisterende klachten stelde de verzekeringsarts evenwel dat appellante beperkingen heeft voor zwaar lichamelijk werk en voor zeer intensief werk met handen en polsen. Daarnaast was appellante gelet op haar duizeligheidsklachten beperkt voor het werk met gevaarlijke machines en op gevaarlijke plaatsen. In een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 maart 2009 zijn deze beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen neergelegd. Vervolgens stelde het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 22 april 2009 vast dat voor appellante met ingang van 21 mei 2009 geen recht was ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. In de bezwaarprocedure betrok bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan in zijn beoordeling door hem opgevraagde informatie van 27 mei en 28 oktober 2009 van de reumatoloog G.J. Tijhuis en de via telefonisch contact verkregen informatie op 22 december 2009 van neuroloog S.M. Rosso. Wel gaf Rosso aan dat er nog een nader neurologisch onderzoek plaats zou vinden naar een mogelijke infectie. In zijn rapport van 28 december 2009 concludeerde Tan dat, hoewel er bij zijn nader medisch onderzoek een onbeperkte functie aan de polsen was gevonden, het mede gelet op de informatie van de reumatoloog aannemelijk was dat appellante een drukbelasting ervaart bij maximale dorsaalflexie van de handen. In verband hiermee was in de FML een beperking voor bovenhands werken aangewezen. De door appellante nader ingebrachte informatie van de huisarts over de duizeligheidsklachten in samenhang met de telefonische informatie van de neuroloog, was aanleiding tot aanscherping van de FML op het item “persoonlijk risico” (duizeligheid bij verhoogde valneiging). Vervolgens corrigeerde de bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans in zijn rapport van 14 januari 2010 vanwege de aangepaste FML van 28 december 2009 de functieduiding door het laten vervallen en het bijduiden van functies en stelde hij vast dat ook dan van een verlies aan verdienvermogen geen sprake was. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 19 januari 2010 (bestreden besluit) het tegen het besluit van 22 april 2009 gemaakte bezwaar ongegrond.

2.1. In beroep tegen het bestreden besluit stelde appellante dat dit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat het Uwv de resultaten van het door de neuroloog aangekondigde onderzoek naar een eventuele infectie niet heeft afgewacht maar is overgegaan tot het nemen van een besluit op bezwaar. Verder gaf appellante onder verwijzing naar haar bekende klachten aan dat haar belastbaarheid niet juist was vastgesteld. In verband met haar hand/pols-klachten dienden het hand- en vingergebruik meer beperkt te worden evenals het werken met toetsenbord en muis en het frequent hanteren van lichte voorwerpen. Vanwege haar duizeligheids- en hoofdpijnklachten dienden het klimmen en het staan tijdens het werk aangescherpt te worden. Appellante achtte de geduide functies in fysiek opzicht te zwaar en achtte de geschiktheid daarvan onvoldoende gemotiveerd.

3. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond. De rechtbank zag geen aanleiding het bestreden besluit onzorgvuldig te achten mede omdat de in beroep ingekomen informatie van het nadere onderzoek naar een infectie door de neuroloog niet tot een bijstelling van de FML leidde. De rechtbank overwoog voorts geen aanknopingspunt te zien voor het oordeel dat door het Uwv de belastbaarheid van appellante zou zijn overschat. De rechtbank overwoog daartoe dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat genoegzaam is gebleken dat de door de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen hun weerslag hebben gevonden in de opgevraagde en overgelegde informatie van de behandelend sector. Verder stelde de rechtbank vast dat niet is gebleken dat de bezwaararbeidsdeskundige ten onrechte functies heeft geduid die appellante vanwege de vastgestelde beperkingen niet zou kunnen verrichten.

4. Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Ter zitting heeft zij haar grond herhaald dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het Uwv niet heeft gewacht met het nemen van het bestreden besluit totdat de resultaten bekend waren van het in de bezwaarfase aangekondigde neurologisch onderzoek. Verder is appellante van mening dat haar klachten onvoldoende op waarde zijn geschat. Haar klachten beperken haar fors in het dagelijks functioneren. Zonder hulp en inzet van haar twee meerderjarige kinderen kan zij nauwelijks functioneren. In verband met aanhoudende klachten is appellante inmiddels doorverwezen naar een reumatoloog vanwege handklachten en overbelasting aan haar rechterpols. Daarnaast is uit cardiologisch onderzoek gebleken dat bij appellante sprake is van een vernauwing van de kransslagader. Gelet op de persisterende klachten is het voor appellante onbegrijpelijk dat er door het Uwv functies worden geduid waarvan het nagenoeg vaststaat dat zij die niet kan vervullen. Appellante vindt de beoordeling van het Uwv zowel in medisch als arbeidskundig opzicht, een theoretische die niet aansluit bij de dagelijkse praktijk. Tot slot verzoekt appellante een deskundige te benoemen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ambtshalve stelt de Raad allereerst het volgende vast. Ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht was niet de rechtbank Amsterdam maar de rechtbank Rotterdam bevoegd om op het beroep van appellante te beslissen. Zoals ter zitting door de gemachtigde van appellante is bevestigd, was zij immers ook in de beroepsfase woonachtig in Rotterdam, zij het dat ze ook tijdelijk in Amsterdam bij een neef verbleef. De rechtbank heeft het beroep kennelijk uit proces-economische overwegingen behandeld. De toepasselijke wettelijke voorschriften inzake de relatieve competentie maken een hierop gerichte verwijzing evenwel niet mogelijk. In de gegeven omstandigheden en gelet op de vermelding is het bestreden besluit van de rechtbank Amsterdam als de rechtbank waarbij beroep moest worden ingesteld, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem in beginsel aanvaardbaar als hulpmiddel om een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling te verrichten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellante op zorgvuldige en juiste wijze is verricht. De nader ingekomen brief van 17 februari 2010 van de neuroloog in beroep, maakt dit niet anders aangezien aanvullende diagnostiek geen aanwijzingen voor een andere pathologie heeft aangetoond.

5.3. Mede gelet op de in het dossier beschikbare medische informatie over de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding, op 21 mei 2009, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor twijfel aan de in de FML van 28 december 2009 vastgelegde beperkingen. Bezwaarverzekeringsarts Tan heeft in de rapportage van 28 december 2009 op navolgbare wijze uiteengezet dat in verband met de in bezwaar overgelegde (medische) gegevens, waaronder de brief van 27 mei en 28 oktober 2009 van de reumatoloog en de telefonische informatie van 28 december 2009 van de neuroloog en vanwege ervaren drukbelasting aan de handen en haar persisterende hoofdpijnklachten, de FML op een aantal items diende te worden aangescherpt. De door appellante in hoger beroep gestelde afhankelijkheid van de hulp en steun van haar kinderen wordt niet bevestigd in het dag-verhaal zoals opgenomen in het verzekeringsgeneeskundige rapport van 16 maart 2009. Evenmin zijn in hoger beroep met betrekking tot de datum in geding objectief medische gegevens ingebracht ter onderbouwing van de stelling van appellante dat de FML onvoldoende recht doet aan haar medische beperkingen. Bezwaarverzekeringsarts Tan heeft in zijn rapport van 29 juli 2011 inzichtelijk gemotiveerd waarom de informatie van de reumatoloog en cardioloog naar wie appellante recent verwezen was, geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. Dat appellante meer klachten ervaart, is de Raad niet ontgaan. Voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn echter niet de door appellante ervaren klachten en beperkingen bepalend, maar alleen belemmeringen die als rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte of gebrek zijn aan te merken. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding appellante te doen onderzoeken door een deskundige. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de volledigheid en juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische situatie van appellante en de hieruit voor haar voortvloeiende beperkingen ontbreekt.

5.4. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd, is er geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de geduide functies niet passend zijn voor appellante. In de bezwaararbeidskundige rapporten van 14 januari en 13 september 2010 zijn de signaleringen voorkomend in het resultaat functiebeoordeling van de geduide functies voorzien van een toereikende en inzichtelijke toelichting. De ter zitting ter sprake gekomen geduide functies huishoudelijke hulp en kelner, serveerster zijn, wat betreft belastende factoren zoals deze naar voren komen uit het resultaat functiebeoordeling, niet vergelijkbaar met het maatgevende werk waarvoor appellante ongeschikt is geacht.

5.5. De overwegingen 5.1 tot en met 5.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L. van Eijndthoven