Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
11-2843 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische- en arbeidskundige grondslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Algemene wet bestuursrecht 8:51c onder a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/2126
JB 2012/269
USZ 2012/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2843 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2011, 09/433 aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.K. Kuipers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de (ex)werkgever heeft mr. X. Evers gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om een schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te geven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra. Namens de (ex)werkgever is verschenen mr. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam geweest als metaalbewerker bij Formeta Metaalwaren B.V. gedurende 38 uur per week. Per 8 mei 2006 heeft hij zich in verband met rugklachten ziek gemeld. Op 24 april 2008 heeft de verzekeringsarts een medisch onderzoek verricht en daarbij tevens betrokken een in februari 2008 uitgevoerde psychiatrisch/ psychologische expertise. Nadat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft de arbeidsdeskundige het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en een aantal functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan appellant in staat werd geacht. Bij besluit van 22 mei 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op grond van de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 5 mei 2008 was vastgesteld op minder dan 35%.

2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande psychische beperkingen en de rugklachten. Nadat de bezwaarverzekeringsarts de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen ten aanzien van de aspecten 2.7 (eigen gevoelens uiten) en 2.8 (omgaan met conflicten) in een FML van 15 december 2008 had aangescherpt, heeft de bezwaararbeidsdeskundige één van de voorgehouden functies laten vervallen, en vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 24 december 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellant naast een herhaling van de gronden van bezwaar aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen heeft aangenomen in de rubriek persoonlijk en sociaal functioneren, terwijl de psychiater heeft vastgesteld dat sprake is van een forse persoonlijkheidsproblematiek. Voorts was volgens appellant onduidelijk of het Uwv bij de beoordeling van de rugklachten heeft getoetst aan het protocol Aspecifieke Lage Rugpijn (ALR).

4.1. In een tussenuitspraak van 28 oktober 2010, 09/433, heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel uit de onderliggende rapportages niet kon worden afgeleid dat formeel is getoetst aan het ten tijde in geding geldende verzekeringsgeneeskundige protocol ALR, uit die rapporten is gebleken dat het onderzoek van de verzekeringsarts materieel wel overeenkomstig de voorgeschreven handelwijze is verricht.

4.2. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals neergelegd in de FML van 15 december 2008 te twijfelen. Daarbij is overwogen dat door appellant geen medische informatie in geding is gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant ten aanzien van de rug meer beperkt zou zijn. Ook ten aanzien van de psychische klachten heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het Uwv niet te volgen, nu de bezwaarverzekeringsarts appellant beperkt heeft geacht ten aanzien van bovenmatig stresserende arbeid en uit de beschikbare gegevens niet kan worden opgemaakt dat voor appellant meer beperkingen moeten worden aangenomen.

4.3. De rechtbank heeft echter ten aanzien van de invulling van de FML overwogen dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde contra-indicatie voor bovenmatig stresserende arbeid niet in de FML vermeld staat en dat een toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de geschiktheid van de voorgehouden functies op dit punt ontbreekt. De rechtbank heeft dit als een gebrek van het bestreden besluit beschouwd en hierin aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, het Uwv in de gelegenheid te stellen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen, door alsnog te motiveren of en zo ja waarom de geduide functies niet bovenmatig stresserend zijn en aan appellant kunnen worden voorgehouden.

5. Op 9 november 2010 heeft het Uwv de rechtbank onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 8 november 2010 meegedeeld dat van de haar geboden mogelijkheid om het gebrek te herstellen geen gebruik wordt gemaakt, omdat het Uwv er van uitgaat dat geen sprake is van een aan het bestreden besluit klevend gebrek. De bezwaarverzekeringsarts heeft toegelicht dat de beperking dat het werk niet stresserend mag zijn met name verband houdt met de voorwaarde dat geen sprake mag zijn van bovennormale conflicthantering. Aangezien voor dit aspect in de FML van 15 december 2008 op item 2.8 een beperking is aangenomen, is van een onjuiste invulling van de FML volgens het Uwv geen sprake.

6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv naar aanleiding van de tussenuitspraak gemotiveerd heeft op welke wijze in de FML rekening is gehouden met de omstandigheid dat appellant is aangewezen op werk dat niet bovenmatig stresserend is. Hoewel de rechtbank het Uwv niet heeft gevolgd in zijn oordeel dat geen sprake is van een motiveringsgebrek heeft zij vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts heeft verduidelijkt op welke wijze rekening is gehouden met de beperking van appellant voor stresserende arbeid, namelijk door een beperking aan te nemen voor bovennormale conflicthantering en ten aanzien van het uiten van eigen gevoelens. Nu uit de stukken kan worden opgemaakt dat deze aspecten in de voorgehouden functies niet voorkomen, worden de geduide functies naar het oordeel van de rechtbank geacht te vallen binnen de belastbaarheid van appellant.

7. In hoger beroep heeft appellant de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Aangevoerd is dat appellant als gevolg van de pijnklachten niets meer kan. Erkend is dat er voor die klachten niet of nauwelijks een medische verklaring is. Voorts is namens appellant onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 9 december 2011, LJN BU7433, aangevoerd, dat de rechtbank met toepassing van artikel 8:51c, aanhef in verband met onderdeel a, van de Awb het beroep gegrond had moeten verklaren en het bestreden besluit had moeten vernietigen.

8.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.2. Anders dan appellant beantwoordt de Raad de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak had moeten volstaan met een gegrond verklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit ontkennend. De onder 7 genoemde uitspraak van de Raad maakt dit niet anders, nu de situatie in genoemde uitspraak wezenlijk verschilde van die in dit geval. Immers, in genoemde uitspraak was sprake van een gebrek in de arbeidskundige besluitvorming dat niet kon worden geheeld, aangezien een functie in de tussenuitspraak vervallen was verklaard. In het thans voorliggende geval gaat het om een door de rechtbank vastgesteld wel te repareren gebrek in de besluitvorming, namelijk een gebrekkige motivering van het bestreden besluit. Dit impliceert in dit geval de mogelijkheid van herstel door middel van een wel als afdoende aan te merken toelichting van de (medische) geschiktheid van de voorgehouden functies. Hoewel het Uwv in zijn brief van 9 november 2010 heeft aangegeven dat er volgens hem geen gebrek kleeft aan het bestreden besluit, heeft hij evenwel in de rapportage van 8 november 2010 de geschiktheid van de voorgehouden functies nader toegelicht. De rechtbank heeft deze toelichting naar het oordeel van de Raad terecht als een herstel van het vastgestelde gebrek aangemerkt.

8.3. Wat betreft de medische beoordeling wordt overwogen dat appellant zijn stelling, dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen, niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Ten aanzien van de rugklachten heeft het Uwv in de FML beperkingen aangenomen voor rugbelastende arbeid. In hoger beroep is namens appellant erkend dat de door appellant ervaren pijnklachten niet of nauwelijks te objectiveren zijn en dat ook middels het MRI-onderzoek geen afwijkingen konden worden vastgesteld. Nu de gestelde beperkingen niet met objectief medische bevindingen zijn onderbouwd en gebaseerd zijn op de subjectieve klachtenbeleving van appellant, wordt zonder aan die beleving afbreuk te willen doen, geen aanleiding gezien om de door het Uwv vastgestelde beperkingen als onjuist aan te merken. Ten aanzien van de stelling dat niet is gebleken dat de beoordeling conform het protocol ALR heeft plaatsgevonden wordt overwogen dat in de aangevallen uitspraak met juistheid is geoordeeld, dat de (bezwaar)verzekeringsartsen overeenkomstig de in het protocol voorgeschreven wijze hebben gehandeld en dat hiervoor niet vereist is dat alle ondernomen stappen afzonderlijk in de rapportages zijn beschreven. Ook ten aanzien van de psychische problematiek wordt geoordeeld dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd niet de conclusie rechtvaardigt dat de FML van 15 december 2008 in dat opzicht onjuist zou zijn.

8.4. Nu de gronden in hoger beroep, afgezien van het onder 8.2 vermelde, beperkt zijn tot de omvang van de beperkingen en de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht en de Raad de door het Uwv vastgestelde beperkingen heeft onderschreven, ziet de Raad geen aanleiding appellant niet geschikt te achten voor de voorgehouden functies.

9. Hetgeen onder 8.2, 8.3 en 8.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt