Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
11-1540 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad heeft geen aanknopingspunten aangetroffen om de beschouwing en conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen. De belasting van de bij de schatting betrokken functies past binnen de opgestelde FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1540 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2011, 10/4664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een voorlopig verweerschrift ingediend, gevolgd door een aanvullend verweerschrift en een rapport van bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer.

Het Uwv heeft nadere informatie verstrekt, onder meezending van nadere medische gegevens van de huisarts en andere behandelende artsen van appellante, een nader rapport van Lustenhouwer, een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige M.B. Thür-Emmerich.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wintjes. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke bij afzonderlijk besluit van gelijke datum aan haar was toegekend met ingang van 28 mei 2007 en werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 februari 2010 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 1 juni 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen eerstgenoemd besluit van 10 december 2009 gegrond verklaard onder bepaling dat appellante dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts een psychisch onderzoek heeft verricht, de bezwaarverzekeringsarts appellante tijdens de hoorzitting heeft gezien en informatie heeft ingewonnen bij de behandelende psychiater K.J. Pos.

2.3. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten aanwezig geacht om het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist te achten. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat voor appellante diverse beperkingen, wat betreft zowel haar persoonlijk en sociaal functioneren als wat betreft bepaalde belastingsaspecten op lichamelijk gebied, zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat de informatie van Pos bevestigt dat bij appellante sprake is van een ernstige depressie bij een zeer belastende thuissituatie, en geconcludeerd dat de in aanmerking genomen forse psychische beperkingen en een urenbeperking passen bij die ernstige depressie. De door appellante overgelegde rapportage van Pos en van haar huisarts geven geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de FML, waartoe de rechtbank heeft overwogen dat de daarin opgenomen informatie nagenoeg gelijk is aan de door de verzekeringsartsen reeds meegewogen informatie.

2.4. Uit de informatie van de huisarts is weliswaar gebleken dat appellante ook een stofallergie heeft waarvoor zij medicatie gebruikt, maar naar het oordeel van de rechtbank behoeft dat verder geen bespreking, nu appellante daarover geen klacht naar voren heeft gebracht bij de verzekeringsartsen.

2.5. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de belasting van de bij de schatting betrokken functies past binnen de opgestelde FML. Voor zover sprake is van signaleringen, is door de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats, onder verwijzing naar de bevindingen en conclusies van Pos, staande gehouden dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, in het bijzonder haar beperkingen op het psychische vlak. Appellante is van mening dat haar ernstige depressie, van welke diagnose ook de bezwaarverzekeringsarts is uitgegaan, aanzienlijk meer beperkingen met zich brengt dan is aangenomen, en dat niet is gemotiveerd waarom zij ondanks die aandoening toch zou kunnen hervatten in (deeltijdse) arbeid.

3.2. Voorts is volgens appellante ten onrechte geen aandacht besteed aan haar gewrichtsklachten en somatisatie en is ook ten onrechte voorbijgegaan aan haar stofallergie.

3.3. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de passendheid van de functies als voldoende gemotiveerd heeft aangemerkt.

4.1. Wat betreft de stelling van appellante dat haar psychische klachten onvoldoende zijn erkend, sluit de Raad zich geheel aan bij het oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daaraan nog toe dat bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer in haar rapport van 9 juni 2011, in reactie op het beroepschrift van appellante en het daarbij gedane beroep op de bevindingen en conclusies van Pos, heeft uiteengezet dat de van toepassing te achten beperkingen niet overwegend worden vastgesteld op basis van de (ernst van de) diagnose, maar op basis van de klachten, het dagelijks functioneren en de onderzoeksbevindingen en dat, ook bij het licht van de diagnose ernstige depressie, de op die basis voor appellante in aanmerking genomen beperkingen adequaat zijn te achten. De Raad heeft, mede in het licht van alle omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waaronder de op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts nader verstrekte informatie van de huisarts van appellante, geen aanknopingspunten aangetroffen om die beschouwing en conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen.

4.2. Datzelfde geldt ten aanzien van de reactie van Lustenhouwer op de stelling van appellante dat ten onrechte en met voorbijzien aan het Protocol depressieve stoornis geen aandacht is besteed aan haar comorbiditeit. De primaire verzekeringsarts heeft hier wel aandacht aan besteed, in die zin dat is opgemerkt dat uit het dossier geen gegevens bekend waren van comorbiditeit. Voorts heeft appellante tijdens het onderzoek van de verzekeringsarts ook geen andere klachten genoemd dan depressieve klachten, evenals bij onderzoek in bezwaar. Er worden wel enige klachten van lichamelijke aard genoemd, maar deze lijken te kunnen worden geduid als somatisatie. Voor zover deze klachten van appellante in verband vallen te brengen met de blijkens informatie van de huisarts door de reumatoloog later gestelde diagnose fibromyalgie, dan is ook daarin volgens Lustenhouwer geen aanleiding gelegen om meer of andere fysieke beperkingen aan te nemen, nu de FML reeds een aantal fysieke beperkingen bevat die passen bij de aandoening fibromyalgie en in de FML ook nog een urenbeperking is aangenomen. De Raad heeft geen objectief-medische grond om deze conclusies in twijfel te trekken.

4.3. Wat betreft de stofallergie geldt dat de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van de bij de huisarts ingewonnen nadere informatie, aanleiding heeft gevonden alsnog daarvoor een beperking in de FML op te nemen, aldus dat appellante niet geschikt wordt geacht voor werkzaamheden in een omgeving waarin veel huisstofmijt voorkomt, zoals in een warme, vochtige omgeving waar veel mensen/dieren aanwezig zijn en weinig wordt schoongemaakt. De Raad stelt vast dat daarmee is tegemoet gekomen aan de daarop gerichte beroepsgrond van appellante.

4.4. Door de bezwaararbeidsdeskundige is bij rapport van 16 november 2011 evenwel te kennen gegeven dat in geen van de bij de schatting gebruikte functies een belasting voorkomt op het aspect huisstofmijtallergie, zodat de toegevoegde beperking op dat aspect geen gevolgen heeft voor de passendheid van de functies. Wat betreft de passendheid van de functies voor het overige, sluit de Raad zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat door de arbeidsdeskundige

I.L.C. van Lier in een ongedateerd rapport en door bezwaararbeidsdeskundige

Thür-Emmerich in het rapport van 2 september 2010, afdoende is toegelicht dat de functies, ook op de in hoger beroep weer bekritiseerde belastbaarheidsonderdelen, voor appellante haalbaar moeten worden geacht. Hetgeen appellante ter zake in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot een andersluidend oordeel.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

JL