Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
10-7070 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische- en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7070 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 november 2010, 09/787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kleyn van Willigen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van de Weert.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft dr. P. Naarding, psychiater, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 11 januari 2012 een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht.

Beide partijen hebben commentaar geleverd op het deskundigenrapport. Naarding heeft daarop met aanvullende rapporten van 29 februari 2012 en 3 mei 2012 gereageerd. Beide partijen hebben naar aanleiding daarvan weer een reactie ingezonden.

Op 10 augustus 2012 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A. Ruis.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit 14 februari 2007 heeft het Uwv de naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 15 april 2007 ingetrokken, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellante is afgenomen naar minder dan 15%.

1.2. Bij besluit van 5 november 2007 heeft het Uwv het tegen het besluit van 14 februari 2007 gemaakte bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2008, 07/1415, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 november 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank was van oordeel dat het besluit van 5 november 2007 een deugdelijke medische grondslag ontbeerde.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van 19 december 2008 heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2009 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2007 andermaal ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv naar aanleiding van de uitspraak van 19 december 2008 een expertise heeft laten verrichten door de neuroloog A.G.M. Borggreve en de neuropsycholoog A. Bons. Met die expertises zijn naar het oordeel van de rechtbank de eerder geconstateerde gebreken aan de medische beoordeling ondervangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische beoordeling door het Uwv thans op voldoende zorgvuldige wijze is geschied.

2.2. Borggreve heeft bij appellante geen wezenlijke afwijkingen op neurologisch gebied vastgesteld. De klachten van appellante kunnen volgens Bons niet in verband worden gebracht met organisch cerebraal letsel, maar vallen toe te schrijven aan het effect van pijnklachten en vermoeidheid, passend bij een post whiplash syndroom.

2.3. De rechtbank heeft overwogen geen reden te zien om te twijfelen aan de gefundeerde en gemotiveerde conclusies waartoe Borggreve en Bons zijn gekomen. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gevonden om te twijfelen aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts in aanmerking genomen beperkingen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er op zich wel beperkingen zijn aangenomen, zij het niet in de rubrieken 1 en 2 van de functionele mogelijkhedenlijst en evenmin in arbeidsduur. De bevindingen van de neuroloog zijn volgens de rechtbank door de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate in de oordeelsvorming betrokken. De rechtbank heeft geen objectief-medische grond om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat op de datum in geding sprake was van arbeid belemmerende geheugen- en concentratieproblematiek of dat een urenbeperking diende te worden aangenomen. Voor aanvullend onderzoek door een psychiater, als namens appellante bepleit, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

2.4. Uitgaande van de juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante, heeft de rechtbank ten slotte geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

3. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat op de datum in geding wel sprake was van beperkingen in verband met geheugen- en concentratieproblematiek en dat wel aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Met een beroep op brieven van 19 maart en 3 december 2009 van medisch adviseur D. Sok, heeft appellante zich er sterk voor gemaakt dat zij alsnog nader wordt onderzocht door een psychiater teneinde (de oorzaak van) haar beperkingen nader in kaart te brengen.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de rechtbank, gelet op het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waarvan in het bijzonder de rapporten van Borggreve en Bons, terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen neurologisch substraat valt aan te wijzen voor de door appellante ervaren klachten en dat de rechtbank derhalve terecht Borggreve heeft gevolgd in diens conclusie dat, bij het ontbreken van een zodanig substraat, er uit neurologisch oogpunt geen beperkingen voor appellante vallen aan te geven. Namens appellante wordt in hoger beroep overigens ook niet (langer) gesteld dat haar klachten wel genoegzaam vallen te herleiden tot een neurologische aandoening of afwijking, maar wordt aangevoerd dat de rechtbank zich rekenschap ervan had moeten geven dat haar klachten zich dan wellicht laten verklaren vanuit een aandoening op psychiatrisch gebied.

4.2. De Raad heeft aanleiding gevonden het verzoek van appellante tot nader onderzoek door een onafhankelijk psychiater te honoreren. Psychiater Naarding heeft appellante onderzocht. Bij het in rubriek I vermelde verslag heeft deze deskundige over zijn onderzoeksbevindingen gerapporteerd en de hem door de Raad gestelde vragen beantwoord.

4.3. De Raad constateert dat Naarding ook op zijn vakgebied geen aandoening bij appellante heeft kunnen vaststellen, welke zou kunnen dienen als een toereikende objectief-medische verklaring voor haar klachten. In zijn rapport van 11 januari 2012 heeft hij expliciet aangegeven dat op basis van zijn onderzoek naar alle waarschijnlijkheid een stemmingsstoornis, een angststoornis en een psychotische stoornis ten tijde van belang bij appellante vallen uit te sluiten. De Raad heeft geen aanleiding om Naarding hierin niet te volgen.

4.4. Dat ligt evenwel anders ten aanzien van de conclusie van Naarding dat hij zich niet kan verenigen met de invulling van de functionele mogelijkhedenlijst op de items concentreren van de aandacht en herinneren, alsmede met zijn latere toevoeging bij schrijven van 3 mei 2012 - in reactie op een opmerking daarover van de gemachtigde van appellante - dat ook conflicthantering, als onderdeel van de sociale omgang, problemen zou kunnen opleveren.

4.5. Vastgesteld moet worden dat Naarding, juist bij afwezigheid van enige bij appellante vastgestelde psychiatrische aandoening in enge zin, zijn conclusie dat aanleiding bestaat om aanvullend beperkingen op de punten concentratie, geheugen en conflicthantering aan te nemen, kennelijk uitsluitend heeft gebaseerd op de door hem gestelde diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Zoals de Raad vaker heeft overwogen kan echter in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals dat naar vaste rechtspraak dient te worden uitgelegd, de enkele diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis niet leiden tot het aannemen van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Gewezen kan onder meer worden op de uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ7854 en de uitspraak van 26 augustus 2011, LJN BR6100. In het licht hiervan, en in aanmerking genomen dat, als aangegeven onder 4.1 en 4.3, bij appellante op neurologisch noch op psychiatrisch gebied relevante aandoeningen konden worden vastgesteld, moet worden geoordeeld dat er geen objectief-medische gronden zijn om de voor appellante van toepassing geachte beperkingen voor het verrichten van arbeid onvolledig of onjuist te achten. Appellante kan dus niet worden gevolgd in haar eigen opvatting dat in het bijzonder haar beperkingen op de punten concentratie, geheugen, conflicthantering en arbeidsomvang zijn onderschat.

4.6. Ten slotte overweegt de Raad dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de belasting van de functies die bij de schatting zijn gebruikt binnen de voor appellante toegestane belastbaarheid blijft.

4.7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.R. Schuurman