Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
11-7178 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BU3226, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad acht een onvoorwaardelijk strafontslag onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant niet beschikte over harde bewijzen voor de betrokkenheid van D en G, maar slechts over aanwijzingen in de zin van opmerkelijke toevalligheden en over reeds bekende vermoedens van algemene aard. Hoezeer van appellant als brandweerman had mogen worden verwacht dat hij iets met die aanwijzingen zou hebben gedaan, het nalaten daarvan is wel een ernstige en strafwaardige inschattingsfout maar niet een plichtsverzuim dat definitieve verwijdering uit het korps rechtvaardigt. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/26
Module Ambtenarenrecht 2013/1369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7178 AW, 11/7179 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 november 2011, 10/1767 en 10/1768 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Rheden (college)

Datum uitspraak 20 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. F.A.J.M. Peeters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2012. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Peeters. Op verzoek van appellant is ook zijn moeder, [naam moeder], gehoord. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.C. Balke, advocaat, en R.V. Mekking. Aan de zijde van het college is voorts

A.J. van Maren verschenen, die desgevraagd een verklaring heeft afgelegd in zijn hoedanigheid van brandweercommandant.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer van Rheden. Omstreeks 2 april 2008 is hij in verzekering gesteld op verdenking van betrokkenheid bij brandstichting.

1.2. Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college appellant met toepassing van artikel 19:1:35, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAR/UWO voor een periode van twee maanden geschorst. Bij besluit van 30 mei 2008 heeft het college de duur van de schorsing verlengd tot 1 september 2008 en bepaald dat de schorsing wordt gebaseerd op artikel 19:1:35, eerste lid, onder d, van de CAR/UWO.

1.3. Bij besluit van 28 januari 2009 heeft het college appellant met toepassing van artikel 19:1:31, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO de disciplinaire straf opgelegd van ongevraagd ontslag met ingang van 1 februari 2009. Daarbij is op grond van artikel 19:1:34 van de CAR/UWO de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de straf bevolen.

1.4. Bij besluit van 7 april 2010 heeft het college de bezwaren van appellant tegen de schorsingsbesluiten van 2 april 2008 en 30 mei 2008 ongegrond verklaard (bestreden besluit 1).

1.5. Bij besluit van eveneens 7 april 2010 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit van 28 januari 2009 ongegrond verklaard (bestreden besluit 2).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

De schorsing

3.1. Het college heeft appellant geschorst wegens de tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 19:1:35, eerste lid, onder b, van de CAR/UWO en, na het eindigen van de inverzekeringstelling, op de in artikel 19:1:35, eerste lid, onder d, genoemde grond dat de schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

3.2. Volgens vaste rechtspraak is een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van de ordemaatregel van schorsing, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen (CRvB 20 mei 2009, LJN BI1704, TAR 2009, 155).

3.3. Tegen appellant is de concrete verdenking gerezen van betrokkenheid bij brandstichting. Om die reden is hij in verzekering gesteld en strafrechtelijk vervolgd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het hier ging om een juist voor een brandweerman zeer ernstige verdenking in de onder 3.2 bedoelde zin, die toepassing van de ordemaatregel van schorsing rechtvaardigde.

3.4. Wat betreft bestreden besluit 1 slaagt het hoger beroep dus niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Het strafontslag

3.5. Blijkens de gedingstukken en de daarop ter zitting gegeven toelichting, baseert het college de straf van ongevraagd ontslag slechts op een verhoudingsgewijs beperkt gedeelte van de verdenkingen die aanvankelijk tegen appellant zijn gerezen. Zo is het medeplegen van brandstichtingen of het aanzetten daartoe niet langer aan de orde. De uiterst belastende verklaringen die appellants neef G daarover heeft afgelegd, acht het college onvoldoende geloofwaardig. Van de vele branden die in het dossier worden genoemd, gaat het ook enkel nog om de containerbrand aan de [straatnaam] op de avond van 2 januari 2008. Het college verwijt appellant dat hij beschikte over specifieke (dader)kennis met betrekking tot die brand en dat hij daarmee niets heeft gedaan.

3.6. Uit de verklaringen van appellant, zijn moeder en de bandmanager A komt naar voren dat appellant zich die avond in de ouderlijke woning bevond en in een nis van de woonkamer met de computer bezig was. In de woonkamer zaten onder anderen de moeder, A, en een vriend van appellant genaamd D. Op een gegeven ogenblik heeft appellant - naar hij stelt bij wijze van brandweerhumor - uitgeroepen dat het zo rustig was en dat zijn pieper wel eens mocht afgaan. Vriend D reageerde hierop met de vraag of hij dan maar even zijn broertje of appellants neef G moest bellen. D is vervolgens aan de huiskamertafel op een mobiele telefoon gaan SMS en. Na enige tijd werd D gebeld. Na afloop van dit gesprek zei D tegen appellant dat deze alvast maar moest gaan rijden omdat de pieper zo zou afgaan voor een containerbrand aan de [straatnaam]. Appellant is naar de kazerne gereden en in de auto ging de pieper inderdaad af. Appellant was als eerste bij de kazerne en is bij het blussen betrokken geweest.

3.7. De Raad acht de onder 3.6 geschetste gang van zaken aannemelijk. De daar bedoelde verklaringen zijn stellig, consistent en in onderling verband bezien overtuigend. De verklaring van D dat hij G op verzoek van appellant zou hebben opgebeld en - hardop - zou hebben gevraagd om iets aan te steken, is niet aannemelijk geworden. Die verklaring dateert van drie maanden na het gebeurde en is met name niet te verenigen met de verklaring van A dat D druk zat te SMS en en dat hij zich daarover ergerde. Het moet er dus voor worden gehouden dat D per SMS met G heeft gecommuniceerd en dat dit op dat moment voor appellant niet kenbaar was. Anders dan het college heeft gesteld, kan appellant dan ook geen voorkennis van de brand worden verweten. Dat appellant niet slechts schertste, maar werkelijk zou hebben beoogd dat D iemand tot brandstichting zou aanzetten, heeft het college niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

3.8. Wel is de Raad van oordeel dat appellant achteraf redelijkerwijs moet hebben begrepen dat D en mogelijk ook G bij het stichten van de containerbrand betrokken zijn geweest. D en appellant zijn over de kwestie onderhouden door de moeder van appellant, aan wie het mogelijke verband kennelijk niet was ontgaan. Bovendien heeft appellant op 3 april 2008 tegenover de politie toegegeven dat hij, toen D hem zei dat hij maar vast moest gaan omdat de pieper zo wel zou afgaan, heus wel dacht dat D iemand had gebeld die iets aan zou steken. Het is appellant als plichtsverzuim aan te rekenen dat hij noch de politie noch zijn commandant van de mogelijke betrokkenheid van D en G op de hoogte heeft gesteld, en dat hij evenmin D en G op hun gedrag heeft aangesproken.

3.9. Appellant heeft aangevoerd dat op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen op twee andere leden van het brandweerkorps, M en N, de verdenking is komen te rusten dat zij tot brandstichting hebben aangezet. Tegen hen zou het college echter niets hebben ondernomen. De Raad kan appellant in dit betoog niet volgen. Het college heeft overtuigend uiteengezet dat M en N, zodra hun namen aan het college bekend waren geworden, door de toenmalige brandweercommandant zijn ondervraagd. Daaruit is naar voren gekomen dat M en N op de hoogte waren van vermoedens dat D en G behoorden tot een groepje dat branden stichtte. Zoals appellant zelf heeft uiteengezet, leefden die vermoedens echter breed binnen het korps, ook bij leidinggevenden. Dat M en N tot brandstichting zouden hebben aangezet, kan slechts worden afgeleid uit de verklaringen van G, die niet alleen door het college maar ook door appellant zelf als onbetrouwbaar - zelfs als “geraaskal” - zijn aangemerkt. Van enige concrete aanwijzing van betrokkenheid bij brandstichting, zoals appellant deze had over de betrokkenheid van D en G bij de containerbrand op 2 januari 2008, is in het geval van M en N niets gebleken. Daarin verschilt hun situatie wezenlijk van het geval van appellant. Al met al acht de Raad het voor de beoordeling van het aan appellant verleende strafontslag niet nodig dat dieper op het geval van M en N wordt ingegaan. Het verzoek van appellant om daarover de burgemeester en de voormalige brandweercommandant als getuigen te horen, wordt niet ingewilligd.

3.10. Uitgaande van het plichtsverzuim zoals onder 3.8 omschreven, was het college bevoegd tot disciplinaire bestraffing en kon het daartoe ook in redelijkheid besluiten. De Raad acht een onvoorwaardelijk strafontslag echter onevenredig aan de aard en de ernst van dit plichtsverzuim. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant niet beschikte over harde bewijzen voor de betrokkenheid van D en G, maar slechts over aanwijzingen in de zin van opmerkelijke toevalligheden en over reeds bekende vermoedens van algemene aard. Hoezeer van appellant als brandweerman had mogen worden verwacht dat hij iets met die aanwijzingen zou hebben gedaan, het nalaten daarvan is wel een ernstige en strafwaardige inschattingsfout maar niet een plichtsverzuim dat definitieve verwijdering uit het korps rechtvaardigt. De aanvankelijk tegen appellant gerezen verdenkingen waren veel ernstiger, maar moeten buiten beschouwing blijven omdat het college deze niet aan de bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

3.11. Wat betreft bestreden besluit 2, treft het hoger beroep dus doel en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient opnieuw op het bezwaar te beslissen en zich daartoe nader op de strafmaat te beraden.

4. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.748, wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

7 april 2010 inzake het strafontslag ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen dit besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748, ;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 377,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2012.

(getekend) J.G. Treffers

De griffier is buiten staat te tekenen

HD