Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-2039 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO. Verzoek om herziening. Weigering om terug te komen van een besluit strekkende tot weigering van een uitkering ingevolge de AAW en WAO. Geen sprake van als relevant te achten nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden.

Het feit dat de hoorzitting geen doorgang heeft kunnen vinden behoort voor risico en rekening van appellant te blijven:de gemachtigde van appellant was niet te bereiken en op het schriftelijke verzoek van het Uwv om het adres van de gemachtigde door te geven werd niet gereageerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2039 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2011, 10/1221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 26 februari 2010, waarbij het Uwv in bezwaar heeft gehandhaafd zijn besluit van 2 november 2009.

1.2. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 10 december 1993, strekkende tot weigering aan appellant met ingang van 31 mei 1988 van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), primair op de grond dat appellant op 13 mei 1987, de datum waarop zijn verzekering voor de WAO een aanvang nam respectievelijk waarop hij een inkomen ging verdienen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de AAW, reeds volledig arbeidsongeschikt was en subsidiair op de grond dat de gezondheidstoestand van appellant op 13 mei 1987 uitval binnen zes maanden nadien kennelijk moest doen verwachten.

1.3. Het bestreden besluit berust op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die aanleiding geven terug te komen van het besluit van 10 december 1993.

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats vastgesteld dat bij uitspraak van de rechtbank van 29 september 1994, 93/4495/16, het beroep van appellant tegen het besluit van 10 december 1993 ongegrond is verklaard, welke uitspraak in hoger beroep door de Raad is bevestigd bij uitspraak van 23 oktober 1996, 94/3092 AAW/WAO. De rechtbank overwoog dat, nu aldus in rechte vaststaat dat appellant geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, het Uwv de aanvraag van appellant terecht heeft aangemerkt als een verzoek tot herziening.

2.2. Voorts overwoog de rechtbank dat appellant bij zijn verzoek tot herziening van het besluit van 10 december 1993 - de Raad merkt hierbij overigens op dat de rechtbank in overweging 1.2 van de aangevallen uitspraak abusievelijk spreekt van herziening van de uitspraak van de Raad van 23 oktober 1996 in plaats van herziening van het besluit van

10 december 1993 - geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb naar voren heeft gebracht.

2.3. De stelling van appellant dat hij ziek is, niet kan werken en niet voor zichzelf kan zorgen, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Ook de door appellant ingebrachte medische verklaringen kunnen niet worden gezien als nieuw feit of veranderde omstandigheid, omdat die verklaringen geen nieuwe medische gegevens bevatten die niet vóór de genoemde uitspraak van de Raad al bekend waren. De afwijzing van appellants verzoek is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onjuist. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat, voor zover hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert mede aldus moet worden begrepen dat hij het Uwv verwijt dat in bezwaar geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, appellant daarin niet kan worden gevolgd. Blijkens de weergave van de gang van zaken rond de hoorzitting in het bestreden besluit, aan de juistheid waarvan de Raad geen redenen heeft te twijfelen, bleek D. Belkadi, die door appellant was gemachtigd om namens hem tijdens een (telefonische) hoorzitting het woord te voeren, bij meerdere pogingen van het Uwv om een afspraak te maken niet bereikbaar te zijn op het opgegeven telefoonnummer. Vervolgens heeft het Uwv appellant schriftelijk geïnformeerd over datum en tijdstip van de hoorzitting, met het verzoek het adres van Belkadi aan het Uwv door te geven. Hierop werd geen bericht ontvangen. Op de aangekondigde dag en het aangekondigde tijdstip is nog tot acht maal toe tevergeefs getracht telefonisch contact op te nemen met Belkadi. Gelet op deze gang van zaken dient het feit dat de hoorzitting geen doorgang heeft kunnen vinden voor risico en rekening van appellant te blijven.

3.2. Voorts overweegt de Raad dat hetgeen appellant voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, slechts een herhaling vormt van wat hij bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 10 december 1993 alsmede in bezwaar en beroep al naar voren heeft gebracht. Appellant wijst andermaal met nadruk erop dat hij nog steeds ziek is, hij niet kan werken en nog steeds onder medische behandeling staat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze stellingen van appellant niet kunnen gelden als relevant te achten nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het Uwv was daarom bevoegd om zonder nader onderzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 10 december 1993.

3.3. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

JL