Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-1045 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Er zijn geen objectief-medische aanknopingspunten zijn om de conclusies waartoe die artsen zijn gekomen inzake de voor appellante geldende beperkingen, onjuist te achten. Appellante is op goede gronden in staat geacht tot het vervullen van de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1045 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 december 2010, 10/2897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 20 juli 2012, waar partijen - appellante met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 3 juni 2010, bij welk besluit het Uwv in bezwaar heeft gehandhaafd zijn besluit van 8 februari 2010 tot weigering aan appellante met ingang van 16 maart 2010 van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.2. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en kennisname van informatie van psychiater M. Thunnissen, heeft aangegeven dat appellante een depressieve stoornis heeft, hoofdpijn en vermoeidheid, in verband waarmee een aantal beperkingen is vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2010. De bezwaarverzekeringsarts heeft de beschikbare medische gegevens nogmaals bestudeerd, waaronder informatie van psychotherapeut M. Jonkers, en heeft aangegeven dat bij appellante sprake is van een dysthyme stoornis. Hij heeft geen aanleiding gevonden tot bijstelling van het medische oordeel van de verzekeringsarts.

1.3. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat op grond van alle beschikbare medische gegevens de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt, aldus de rechtbank, dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de stemmingsklachten van appellante, haar hoofdpijn en vermoeidheid. Naar het oordeel van de rechtbank is door de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd waarom er geen reden is gezien voor het stellen van een urenbeperking.

1.4. Rekening houdend met de FML van 15 januari 2010, heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen. De passendheid van die functies is door de arbeidsdeskundigen voldoende toegelicht.

2. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat uit haar psychische problematiek, haar persoonlijkheidsproblematiek en uit de (waarschijnlijkheids)diagnose ADD verdergaande beperkingen voortvloeien dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Haar medische belastbaarheid wordt volgens appellante in de geduide functies overschreden. Appellante heeft ter nadere onderbouwing van haar stellingen een rapport van Ampla van

17 januari 2012 overgelegd, bevattende de resultaten van een psychodiagnostisch testonderzoek. Dit rapport bevestigt volgens appellante dat sprake is van een chronische depressieve stoornis, waardoor zij op de datum in geding meer beperkt was in haar persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast voert appellante aan dat ten onrechte geen fysieke beperkingen zijn aangenomen, in de zin van een beperking voor veelvuldig en zwaar tillen. Ook dit maakt volgens appellante dat enkele van de geduide functies voor haar niet geschikt zijn.

3.1. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen objectief-medische aanknopingspunten zijn om de conclusies waartoe die artsen zijn gekomen inzake de voor appellante geldende beperkingen, onjuist te achten.

3.2. Zulke aanknopingspunten zijn ook niet gelegen in het in hoger beroep ingebrachte rapport van Ampla. Zoals ook in zijn reactie van 15 juni 2012 op dit rapport is aangegeven door de bezwaarverzekeringsarts, heeft het psychodiagnostisch onderzoek geruime tijd na de datum in geding plaatsgevonden - in januari 2012 - en worden in het rapport geen uitspraken gedaan over de in deze procedure ter beoordeling voorliggende datum 16 maart 2010. Daarnaast geldt dat het onderzoek, mede gelet op de toegepaste methode van onderzoek aan de hand van door appellante zelf ingevulde vragenlijsten, ook niet specifiek gericht is geweest op het vaststellen of beoordelen van voor appellante van toepassing te achten arbeidsbeperkingen, maar primair beoogt een therapeutisch doel te dienen.

3.3. Mede in het licht van het vorenoverwogene, kan de Raad zich vinden in de beschouwingen van de bezwaarverzekeringsarts in de reactie van 15 juni 2012 dat en waarom de onderzoeksresultaten van het psychodiagnostisch onderzoek, als vervat in het rapport van Ampla, geen aanleiding vormen tot herziening van de conclusies waartoe de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts eerder waren gekomen.

3.4. Voorts stelt de Raad vast dat evenmin is kunnen blijken van een objectief-medische grond voor de door appellante in hoger beroep bepleite beperkingen op de aspecten veelvuldig en zwaar tillen. Aan de beschikbare medische gegevens kan niet worden ontleend dat bij appellante een lichamelijke aandoening of afwijking is vastgesteld die noopt tot het in aanmerking nemen van een dergelijke beperking. Appellante heeft dit zelf ook niet nader onderbouwd met enig medisch gegeven.

3.5. De rechtbank heeft, ten slotte, uitgaande van de juistheid van de FML van 15 januari 2010, appellante op de datum in geding terecht en op goede gronden in staat geacht tot het vervullen van de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

IvR