Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-1232 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijk dienstverband vanwege onvoldoende functioneren. Appellant voldoet niet op een aanzienlijk aantal punten die van belang zijn voor het goed vervullen van de functie van assistent in opleiding en het werd bijna uitgesloten geacht dat hij in staat zal zijn om binnen vier jaar te promoveren. Onder die omstandigheden was er voor het college een redelijke grond om het tijdelijk dienstverband van appellant te beëindigen. Appellant is gedurende de eerste paar maanden na indiensttreding de tijd gegund om zijn zaken op orde te krijgen en zijn draai te vinden. Van hem werd niet verwacht dat hij meteen zou functioneren op het vereiste niveau. De waardering van het functioneren van appellant spitste zich dan ook toe op de periode na die eerste maanden. Appellant heeft een reële kans gekregen om zijn prestaties te verbeteren en te laten zien dat hij (binnen afzienbare tijd) voldoende resultaten zou kunnen behalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1232 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 januari 2011, 10/3186 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van bestuur van de Universiteit Utrecht (college)

Datum uitspraak 13 september 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.M. van Genderen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.J. van de Pas, [S.] en [G.].

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was per 10 juni 2009 voor een periode van vier jaar aangesteld als assistent in opleiding bij het departement [naam departement] van de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Bij besluit van 25 februari 2010 is met toepassing van artikel 8.3, tweede lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) het tijdelijk dienstverband van appellant vanwege onvoldoende functioneren per 10 juni 2010 beëindigd.

1.2. Bij besluit van 12 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2010 ongegrond verklaard en met toepassing van artikel 8.9, derde lid, van de CAO NU bepaald dat het ontslag ingaat op 20 augustus 2010.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Gelet op de bekendheid van appellant met het onderzoeksvoorstel, de veelvuldige contacten en gesprekken tussen appellant en zijn supervisor [G.] en de van appellant als wetenschapper in opleiding te verwachten kwaliteiten, moest volgens de rechtbank voor appellant voldoende duidelijk zijn welke concrete taken aan hem waren opgedragen en wat er in dat kader van hem werd verwacht. Daaraan doet niet af dat er voor appellant geen opleidings- en begeleidingsplan was opgesteld en dat van gesprekken tussen appellant en zijn supervisor [G.] - waaronder het evaluatiegesprek van 6 oktober 2009 - geen verslagen zijn gemaakt. Aan appellant is op verschillende momenten, zoals tijdens het voornoemde evaluatiegesprek, kenbaar gemaakt - of het had hem kenbaar kunnen zijn - dat het tempo waarin hij zijn kennisachterstand wegwerkte te traag was en dat zijn resultaten van practica en een presentatie flink onder de maat waren. Het college heeft er dan ook in redelijkheid toe kunnen besluiten om na ruim zeven maanden te starten met een beoordelingsprocedure. Nu appellant ook na tussentijdse feedback geen duidelijke verbetering in werktempo en resultaten heeft laten zien, heeft het college in redelijkheid uit de resultaten tot dan toe kunnen concluderen dat appellant er niet in zou slagen om binnen afzienbare tijd tot verbeteringen te komen en dat een promotie binnen de geldende termijn van vier jaar niet haalbaar zou zijn. Het college heeft bij de beoordeling van appellant voldoende rekening gehouden met de door appellant in de eerste maanden na de start van zijn dienstverband ondervonden huisvestingsproblemen en daaruit voortvloeiende financiële en concentratieproblemen. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om de tijdelijke aanstelling tussentijds te beëindigen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep - evenals in beroep - op het standpunt gesteld dat zijn aanstelling ten onrechte is beëindigd. Appellant heeft in dat kader aangevoerd dat er ten onrechte geen opleidings- en begeleidingsplan is opgesteld, dat zijn functioneren in een te vroeg stadium is beoordeeld, dat bij de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de perikelen rond zijn huisvesting en de daaruit voortvloeiende problemen en dat hem geen verbeterkans is geboden. Hij heeft tevens verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het bestreden besluit heeft geleden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen de negatieve beoordeling die aan het besluit tot beëindiging van de aanstelling ten grondslag is gelegd. Dat betekent dat die beoordeling in rechte onaantastbaar is. Aan de stelling van appellant dat de beoordeling te vroeg heeft plaatsgevonden, komt de Raad dan ook niet toe. Wel moet worden beoordeeld of het besluit tot beëindiging van de aanstelling van appellant wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde negatieve beoordeling van appellant.

4.2. Van appellant werd verwacht dat hij als assistent in opleiding op een hoog niveau zou functioneren en in staat zou zijn om binnen de geldende termijn van vier jaar te promoveren. Uit de beoordeling van 21 januari 2010 blijkt dat appellant daartoe niet in staat wordt geacht. Vermeld is dat appellant op een aanzienlijk aantal punten die van belang zijn voor het goed vervullen van de functie van assistent in opleiding - zoals werkhouding, werktempo, (computer)vaardigheden en vakkennis - niet voldoet en dat, gelet op de tot dan toe getoonde vooruitgang, het bijna uitgesloten wordt geacht dat hij in staat zal zijn om binnen vier jaar te promoveren. Onder die omstandigheden was er voor het college een redelijke grond om het tijdelijk dienstverband van appellant te beëindigen.

4.3. Wat betreft de stelling van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met de door hem ondervonden problemen rond zijn huisvesting blijkt dat het college zich daarvan tot op bepaalde hoogte rekenschap heeft gegeven. Zo is appellant gedurende de eerste paar maanden na indiensttreding de tijd gegund om zijn zaken op orde te krijgen en zijn draai te vinden. Van hem werd niet verwacht dat hij meteen zou functioneren op het vereiste niveau. De waardering van het functioneren van appellant spitste zich dan ook toe op de periode na die eerste maanden. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij met name in die periode (nog) zodanige persoonlijke problemen had dat zijn functioneren daardoor wezenlijk negatief werd beïnvloed en zijn beoordeling daardoor slecht(er) is uitgevallen. Appellant heeft blijkens het verslag van het beoordelingsgesprek juist verklaard dat hij in de maand september 2009 zijn zaken op orde had en zich meer en meer op zijn werk kon richten. Deze beroepsgrond van appellant slaagt niet.

4.4. Appellant heeft verder gesteld dat hem ten onrechte niet de gelegenheid is geboden om zijn functioneren te verbeteren. De Raad volgt appellant daarin niet. Nu appellant tijdens het op 6 oktober 2009 gehouden evaluatiegesprek is aangesproken op zijn functioneren, heeft hij een reële kans gekregen om zijn prestaties te verbeteren en te laten zien dat hij (binnen afzienbare tijd) voldoende resultaten zou kunnen behalen.

4.5. Het feit dat er voor appellant in strijd met de CAO NU geen opleidings- en begeleidingsplan is opgesteld, kan aan het onder 4.2 gegeven oordeel geen afbreuk doen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de gesprekken die gaandeweg met appellant over zijn functioneren zijn gevoerd niet zijn vastgelegd.

4.6. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

De griffier is buiten staat te tekenen

HD