Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
12-619 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW: geschikt te achten voor haar arbeid. De verzekeringsarts heeft op basis van bevindingen uit eigen onderzoek en recent verkregen informatie van appellantes cardioloog vastgesteld dat bij appellante geen sprake is van ernstige hartproblematiek. Zij wordt ondanks haar klachten in staat geacht haar arbeid te verrichten. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens wijzen er niet op dat bij appellante van verdergaande beperkingen sprake was dan de artsen van het Uwv hebben aangenomen.Aangezien rond de datum in geding nog geen sprake was van ernstig hartfalen en met appellantes overige hartklachten bij de beoordeling van haar belastbaarheid rekening is gehouden, is er geen aanleiding om appellante te volgen in haar standpunt dat haar beperkingen op dit gebied zijn onderschat. Dat appellante op medische gronden ontheven is van haar inburgeringsplicht zegt niets over haar geschiktheid tot het verrichten van arbeid per de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/619 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 december 2011, 11/2527 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 augustus 2012 waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Aartsen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. Als tolk is M. Kada verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster gedurende 22 uren per week. Het dienstverband is per 1 maart 2010 beëindigd, waarna appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving. Vanuit deze situatie heeft appellante zich per 2 november 2010 ziekgemeld met hartklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van die ziekmelding is appellante een aantal keer op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest. Laatstelijk is appellante op het spreekuur van 21 maart 2011 van de verzekeringsarts H. Alsafar verschenen. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 4 april 2011 geschikt is te achten voor haar arbeid. Bij besluit van 5 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 4 april 2011 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 5 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 april 2011 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven - geen aanleiding gezien het medisch onderzoek, verricht door de artsen van het Uwv, onzorgvuldig of onvolledig te achten. Appellante heeft geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordelingen door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft het inwinnen van een medisch deskundigenadvies dan ook niet noodzakelijk geacht.

4.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de medische beoordeling voldoende zorgvuldig is geweest. Het Uwv had in hetgeen zij aan klachten naar voren heeft gebracht, aanleiding moeten zien nader onderzoek te verrichten of een deskundige in te schakelen. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het onderzoek niet zorgvuldig is verricht, dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij vanwege haar hartklachten niet in staat is haar arbeid te verrichten heeft appellante medische informatie overgelegd, waaronder een brief van de haar behandelend cardioloog dr. M.A.M. Stofmeel - Schweizer van 19 juni 2012. Daarnaast heeft appellante een besluit van 28 februari 2012 van de Gemeente [gemeente] overgelegd, waarbij haar op medische gronden ontheffing van de inburgeringsplicht is verleend.

4.2. Het Uwv heeft in verweer het standpunt van appellante, mede door het overleggen van rapportages van bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy van 12 maart 2012 en 19 juli 2012, gemotiveerd weersproken.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.

5.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ten aanzien van appellante verrichte medische onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Appellante is onderzocht door verzekeringsarts Alsafar. Deze heeft op basis van bevindingen uit eigen onderzoek en recent verkregen informatie van appellantes cardioloog vastgesteld dat bij appellante geen sprake is van ernstige hartproblematiek. Zij wordt ondanks haar klachten in staat geacht haar arbeid te verrichten, welk standpunt door bezwaarverzekeringsarts De Kanter is onderschreven. In zijn rapport van 4 juli 2011 heeft deze arts, op basis van bevindingen uit dossierstudie, lichamelijk en psychisch onderzoek en verkregen informatie van appellantes huisarts inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is appellante meer beperkt te achten dan op preventieve gronden, ten aanzien van boven normaal energetisch en mentaal belastend werk, reeds door de verzekeringsarts is aangenomen. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de in hoger beroep aangevoerde gronden en overgelegde medische gegevens.

5.3. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens wijzen er niet op dat bij appellante op 4 april 2011 van verdergaande beperkingen sprake was dan de artsen van het Uwv hebben aangenomen. De opvattingen van bezwaarverzekeringsarts Hovy, zoals neergelegd in zijn in hoger beroep overgelegde rapportages, wordt onderschreven. Uit met name de brief van de cardioloog van 19 juni 2012 blijkt dat er in juni 2011 sprake was van ventriculaire extrasystolen, hetgeen door de cardioloog wordt omschreven als een ‘volstrekt onbelangrijke medische situatie’. Met de in 2011 vastgestelde cardiologische aandoeningen hebben de artsen van het Uwv bij het beoordelen van appellantes belastbaarheid, zo blijkt onder meer uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 4 juli 2011, rekening gehouden.

Aangezien rond de datum in geding nog geen sprake was van ernstig hartfalen en met appellantes overige hartklachten bij de beoordeling van haar belastbaarheid rekening is gehouden, is er geen aanleiding om appellante te volgen in haar standpunt dat haar beperkingen op dit gebied zijn onderschat. Dat de cardiologische toestand in juni 2012 is verslechterd, zoals blijkt uit eerder genoemde brief van de cardioloog, kan in het kader van de onderhavige beoordeling niet worden meegewogen. Ook de informatie van de psychiater Limburg- Okken duidt niet op per de datum in geding aanwezige ernstige depressieve klachten en geeft geen aanleiding voor het innemen van het standpunt dat appellante op de datum in geding niet geschikt was tot het verrichten van arbeid.

5.4. Dat appellante bij besluit van 28 februari 2012 door de Gemeente [gemeente] op medische gronden ontheven is van haar inburgeringsplicht zegt niets over haar geschiktheid tot het verrichten van arbeid per de datum in geding, te weten 4 april 2011.

5.5. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv appellante terecht per 4 april 2011 geschikt heeft geacht voor haar werk als schoonmaakster, waarvan de juistheid van de aangenomen kenmerkende belasting zoals beschreven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 mei 2011, niet in geschil is.

6. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 4 april 2011 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans