Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
10-5401 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Appellanten ziin er niet in geslaagd ten minste een begin van bewijs aan te dragen dat sprake is geweest van een toename van de medische beperkingen van betrokkene in de periode vanaf de datum waarop zijn WAO-uitkering is ingetrokken tot de datum van zijn overlijden. Onder deze omstandigheden was het Uwv niet gehouden een nader onderzoek in te stellen. Dat het Uwv desondanks heeft besloten tot een onderzoek door de CNSS kan daaraan niet afdoen. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen uitblijven besluit op de aanvraag. Nu het Uwv hangende het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit alsnog een besluit heeft genomen is in beginsel geen procesbelang meer aanwezig. Appellanten stellen dat sprake is van schade als gevolg van het niet tijdig beslissen nu betrokkene daardoor niet meer kon worden onderzocht. Appellanten hebben onderbouwd noch gespecificeerd waaruit deze gevolgen bestaan en wat de aard en de omvang is van de aan die gevolgen te verbinden schade.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2 onder b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5401 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010, 09/5599 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en of rechtverkrijgenden van [naam betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende in [woonplaats], Marokko, (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2012. Namens appellanten is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is in 1959 geboren in Marokko. Hij heeft in Nederland gewerkt als schoonmaker. In 1994 heeft hij zich vanuit een situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld in verband met voetklachten. Later heeft hij ook rugklachten en psychische klachten gekregen. Vanaf 29 maart 1995 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1998 is betrokkene, met behoud van uitkering, naar Marokko geremigreerd. Per 30 november 2005 is de uitkering ingetrokken, omdat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2. Bij brief van 18 oktober 2007 heeft betrokkene het Uwv verzocht hem een uitkering toe te kennen onder toepassing van artikel 43a van de WAO. Betrokkene heeft bij zijn verzoek een verklaring van 26 juni 2006 gevoegd van zijn behandelend psychiater dr. O. Najjaati.

1.3. Op 28 januari 2008 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 18 oktober 2007.

1.4. Op 19 maart 2009 is betrokkene overleden. Het onderzoek door de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS), dat was gepland in april 2009, heeft daardoor geen doorgang gevonden.

1.5. Bij brief van 20 mei 2009 heeft het Uwv de (gewezen) gemachtigde van betrokkene gevraagd wanneer de arbeidsongeschiktheid van betrokkene is toegenomen en uit welke medische gegevens dit blijkt. De gemachtigde heeft hierop een verklaring van dr. Najjaati van 11 juli 2006 overgelegd.

1.6. Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het Uwv geweigerd betrokkene een uitkering als bedoeld in artikel 43a van de WAO toe te kennen. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 10 juli 2009.

1.7. Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het Uwv het bezwaar van 28 januari 2008 tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 18 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich wat betreft dit laatste gebaseerd op een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van 15 oktober 2009.

1.8. Appellanten zijn in beroep opgekomen zowel tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 18 oktober 2007 als tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de weigering de WAO-uitkering van betrokkene te heropenen.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellanten keren zich in hoger beroep evenals in beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 18 oktober 2007. Evenals in beroep stellen zij hierdoor schade te hebben geleden in die zin dat betrokkene niet meer kan worden onderzocht. Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek de uitkering te heropenen stellen appellanten dat ten onrechte slechts de periode van 30 november 2005 tot 11 juli 2006 is beoordeeld. In hun visie had de periode van 30 november 2005 tot de datum van het overlijden, 19 maart 2009, beoordeeld moeten worden. Het onderzoek van het Uwv is dan ook te beperkt geweest. Volgens appellanten heeft betrokkene meer beperkingen ontwikkeld, met name als gevolg van zijn psychiatrische problematiek. Appellanten stellen dat het het Uwv aan te rekenen is dat er niet meer gegevens zijn. Het Uwv heeft te lang over de behandeling van de aanvraag gedaan, waardoor pas in april 2009 een onderzoek door de CNSS is gepland. Dit onderzoek heeft door het overlijden van betrokkene niet kunnen plaatsvinden. Bovendien had het Uwv volgens appellanten informatie moeten opvragen bij de behandelend sector.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 18 oktober 2007

4.1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Met deze bepaling is beoogd belanghebbenden een procedureel middel in handen te geven om een nalatig bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Indien hangende het bezwaar of beroep alsnog een besluit wordt genomen, is dit doel verwezenlijkt en heeft de betrokkene in beginsel geen processueel belang meer bij een gegrondverklaring van zijn bezwaar of beroep. Een belang kan niet zijn gelegen in het verkrijgen van een proceskostenveroordeling.

4.2. Nu het Uwv hangende het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit alsnog een besluit heeft genomen is in beginsel geen procesbelang meer aanwezig.

4.3. Appellanten stellen wel een procesbelang te hebben. Zij stellen hiertoe dat sprake is van schade als gevolg van het niet tijdig beslissen nu betrokkene daardoor niet meer kon worden onderzocht. De gevolgen hiervan kunnen in hun visie niet op hen worden afgewenteld.

Appellanten hebben onderbouwd noch gespecificeerd waaruit deze gevolgen bestaan en wat de aard en de omvang is van de aan die gevolgen te verbinden schade. Onder deze omstandigheden kan de Raad appellanten niet volgen in hun stelling dat sprake is van een procesbelang.

4.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 18 oktober 2007 terecht ongegrond verklaard. In zoverre komt de aangevallen uitspraak dan ook voor bevestiging in aanmerking.

Toepassing artikel 43a van de WAO

4.5. Ter zitting heeft het Uwv erkend dat de periode die van belang is voor de beoordeling van betrokkenes recht op een uitkering als bedoeld in artikel 43a van de WAO zich uitstrekt van 30 november 2005 tot 19 maart 2009, de datum waarop betrokkene is overleden. Het Uwv heeft de Raad verzocht het bestreden besluit in die zin op te vatten dat het gebaseerd is op een beoordeling van deze gehele periode. Nu het bestreden besluit echter uitdrukkelijk vermeldt dat het berust op een beoordeling van de periode van 30 november 2005 tot 11 juli 2006 kan dit naar het oordeel van de Raad niet worden opgevat als door het Uwv verzocht. Het bestreden besluit berust dan ook voor zover het de toepassing van artikel 43a van de WAO betreft niet op een draagkrachtige motivering.

4.6. De Raad stelt vast dat de betrokken bezwaarverzekeringsartsen zich feitelijk niet hebben beperkt tot de in het bestreden besluit genoemde periode, maar de gehele periode tot het overlijden van betrokkene in ogenschouw hebben genomen. Het meest duidelijk blijkt dit uit de rapportage van De Vink van 15 oktober 2009, waarin deze ingaat op de overlijdensoorzaak van betrokkene en vaststelt dat deze geen relatie vertoont met de psychiatrische problematiek van betrokkene. Mede in het licht hiervan acht de Raad het aangewezen te bezien of de gedingstukken voldoende basis vormen om te komen tot een oordeel over de toepasselijkheid van artikel 43a van de WAO, uitgaande van de gehele periode van 30 november 2005 tot

19 maart 2009.

4.7. De Raad stelt voorop dat bij een aanvraag in het kader van artikel 43a van de WAO van de belanghebbende mag worden verwacht dat ten minste een begin van bewijs wordt aangedragen dat sprake is van een toename van de medische beperkingen. Eerst dan rust op het Uwv de verplichting daarnaar een onderzoek in te stellen.

4.8. Zoals bezwaarverzekeringsarts Koek in haar rapport van 10 juli 2009 terecht stelt is de verklaring van dr. Najjaati van 26 juni 2006, die betrokkene heeft overgelegd bij zijn verzoek van 18 oktober 2007, identiek aan een eerdere verklaring van dr. Najjaati van 13 juni 2005, waarmee rekening is gehouden bij de intrekking van de WAO-uitkering van betrokkene. Het bij de verklaring van 26 juni 2006 gevoegde medicatievoorschrift komt goeddeels overeen met het voorschrift uit 2005; er is slechts sprake van vervanging van het ene antipsychoticum door het andere.

4.9. De verklaring van dr. Najjaati van 11 juli 2006, die is overgelegd op het uitdrukkelijke verzoek van het Uwv om te kennen te geven wanneer de arbeidsongeschiktheid van betrokkene zou zijn toegenomen en uit welke medische gegevens dit zou kunnen blijken, is weliswaar iets uitgebreider dan de verklaring van 26 juni 2006, maar naar bezwaarverzekeringsarts Koek in haar rapportage van 10 juli 2009 heeft uiteengezet zijn de door dr. Najjaati in de verklaring van 11 juli 2006 opgesomde klachten in essentie dezelfde als die bij de onderzoeken door psychiater A.F. Mérini in 2002 en psychiater M.A. Boukili in 2005 naar voren kwamen.

4.10. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten desgevraagd te kennen gegeven geen verklaring van een latere datum te hebben opgevraagd bij betrokkenes behandelend psychiater, omdat deze dan naar verwachting opnieuw een verklaring van dezelfde aard en strekking zou hebben afgegeven en het Uwv ook hier geen genoegen mee zou hebben genomen.

4.11. Hangende bezwaar hebben appellanten een overlijdensakte van 19 maart 2009 overgelegd. Uit deze akte blijkt dat betrokkene is overleden aan een septische shock bij peritonitis (buikvliesontsteking). Naar bezwaarverzekeringsarts De Vink in zijn rapportage van 15 oktober 2009 te kennen heeft gegeven is dat een acuut somatisch gebeuren dat geheel los staat van de psychische problematiek van betrokkenen.

4.12. Hetgeen in 4.8 tot en met 4.11 is overwogen leidt tot de conclusie dat appellanten er niet in zijn geslaagd ten minste een begin van bewijs aan te dragen dat sprake is geweest van een toename van de medische beperkingen van betrokkene in de periode vanaf de datum waarop zijn WAO-uitkering is ingetrokken tot de datum van zijn overlijden. Onder deze omstandigheden was het Uwv niet gehouden een nader onderzoek in te stellen. Dat het Uwv desondanks heeft besloten tot een onderzoek door de CNSS kan daaraan niet afdoen. De Raad kan aan de bij de besluitvorming opgetreden vertraging en het mede hierdoor geen doorgang vinden van dit onderzoek dan ook niet de gevolgen verbinden die appellanten daaraan wensen te verbinden. Betrokkene kon, ook de gehele periode van 30 november 2005 tot 19 maart 2009 in aanmerking nemend, geen aanspraak maken op een uitkering als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

4.13. Gelet op het in 4.5 vastgestelde gebrek in de motivering van het bestreden besluit dienen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd te worden voor zover zij betrekking hebben op de toepassing van artikel 43a van de WAO. Omdat, zoals volgt uit hetgeen in 4.6 tot en met 4.12 is overwogen, bij een juiste motivering geen andere uitkomst voor het recht van betrokkene op een WAO-uitkering wordt bereikt, kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

6. Nu geen sprake is van een nabetaling komt het verzoek tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de nabetaling niet voor toewijzing in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het

niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 18 oktober 2007;

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de toepassing van artikel 43a van de WAO;

-verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de toepassing van artikel 43a van de WAO en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1748,-;

-bepaalt dat het Uwv aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) J.T.P. Pot

NW