Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
12-776 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW-uitkering: hersteld verklaard voor zijn maatgevende arbeid. De artsen waren op de hoogte van onder meer appellants rug- en psychische klachten en zijn deze bij de beoordeling van appellants belastbaarheid meegewogen. Bij het vaststellen van de belastbaarheid in het kader van de Wet WIA zijn reeds beperkingen aangenomen waarbij rekening is gehouden met de klachten van appellant als gevolg van een depressie en somatoforme stoornis. Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd geeft onvoldoende reden om de onderzoeksbevindingen van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/776 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2011, 11/2375 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Claassen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Claassen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer. Als tolk is A. Ouazizi verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij op 4 oktober 2007 voor die werkzaamheden uitviel wegens arm/handklachten en schouderklachten. Daarnaast was hij bekend met psychische en astmatische klachten. Bij besluit van 12 oktober 2009 is appellant meegedeeld dat hij per einde wachttijd, 1 oktober 2009, geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellant met inachtneming van de voor hem gestelde beperkingen, die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 augustus 2009, geschikt werd geacht voor passende arbeid. Het bezwaar tegen het betreffende besluit is bij beslissing op bezwaar van 15 april 2010 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Per 17 december 2010 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW) ontving, ziek gemeld in verband met rugklachten en een toename van zijn schouder- en astmaklachten. Na medisch onderzoek op 10 februari 2011 heeft de verzekeringsarts C. Westerbeek appellant per 18 februari 2011 hersteld verklaard voor zijn maatgevende arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2011 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 18 februari 2011 geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 28 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 februari 2011, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts F.C. Swaan van 27 april 2011, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“Gelet op de wijze waarop de (bezwaar)verzekeringsarts zijn conclusie heeft onderbouwd alsmede gelet op de overige gedingstukken, komt de rechtbank tot het oordeel dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn conclusie gebaseerd op dossieronderzoek, waaronder de bevindingen van de verzekeringsarts, de hoorzitting van 31 maart 2011, waarbij de bezwaarverzekeringsarts aanwezig was en op informatie van eisers huisarts. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Door of namens eiser is ook geen nieuwe medische informatie naar voren gebracht, waaruit blijkt dat eiser op de datum in geding niet geschikt was om (een van) de geduide functies te verrichten”.

3. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat het Uwv door geen acht te slaan op de door appellant aangevoerde nieuwe medische informatie, onzorgvuldig jegens hem gehandeld heeft. Hierdoor heeft ook het onderzoek naar - en het vaststellen van - de beperkingen op onzorgvuldige wijze plaatsgevonden. Doordat de belastbaarheid van appellant niet adequaat is beoordeeld, kan niet worden beoordeeld in hoeverre (één van) de eerder geduide functies in het kader van de Wet WIA passend zouden zijn voor appellant en of al dan niet sprake was van arbeidsgeschiktheid in het kader van de ZW. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van 13 maart 2012 van verzekeringsarts E.C. van der Eijk, medisch adviseur bij Medisch-adviesbureau Triage, overgelegd.

4. In het verweerschrift heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Swaan van 4 juni 2012, het standpunt van appellant weersproken.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

5.3. Ten aanzien van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad ziet geen aanleiding om het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts Westerbeek appellant heeft onderzocht en informatie bij de fysiotherapeut van appellant heeft ingewonnen. De verzekeringsarts komt op basis van de bevindingen uit zijn onderzoek tot de conclusie dat bij appellant ondanks zijn toegenomen klachten, waaronder de chronische a-specifieke rugpijn, geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beperkingen zoals neergelegd in de, in het kader van de eerdere WIA beoordeling, opgestelde FML van 26 augustus 2009. De bezwaarverzekeringsarts Swaan heeft appellant op de hoorzitting gezien, het dossier bestudeerd en informatie opgevraagd en verkregen van de huisarts van appellant. Onder de verkregen informatie van de huisarts bevindt zich eveneens een specialistenbericht van appellants longarts. Uit de informatie komt naar voren dat bij appellant sprake is van psychische klachten, schouder- en longklachten en lumbago eci. Gelet op het vorenstaande waren de artsen op de hoogte van onder meer appellants rug- en psychische klachten en zijn deze bij de beoordeling van appellants belastbaarheid meegewogen. Bij het vaststellen van de belastbaarheid in het kader van de Wet WIA zijn reeds beperkingen aangenomen waarbij rekening is gehouden met de klachten van appellant als gevolg van een depressie en somatoforme stoornis.

5.4. Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd geeft onvoldoende reden om de onderzoeksbevindingen van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts in twijfel te trekken. Uit de beschikbare medische gegevens kan niet worden afgeleid dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is afgenomen ten opzichte van zijn belastbaarheid zoals weergegeven in eerder genoemde FML.

5.5. Aan het rapport van de door appellant geraadpleegde verzekeringsarts Van der Eijk kan niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien. Anders dan de artsen van het Uwv heeft deze arts appellant niet op een spreekuur gezien en lichamelijk of psychisch onderzocht. Hij heeft zich enkel gebaseerd op door appellant verstrekte dossier informatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport van 4 juni 2012 inzichtelijk gemotiveerd dat alle door appellant geclaimde klachten bij het onderzoek zijn betrokken en waarom deze klachten geen aanleiding zijn voor het aannemen van zwaardere beperkingen per de datum hier in geding.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. Er zijn geen redenen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D. Heeremans