Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
11-3048 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW-uitkering: weer geschikt geacht voor zijn arbeid. De onderzoeken en de medische stukken bieden voldoende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3048 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 mei 2011, AWB 10/7038 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als uitzendkracht in de functie van tuinbouwmedewerker gedurende 40 uur per week. Op 5 augustus 2009 is appellant uitgevallen voor dit werk. Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het Uwv besloten dat appellant met ingang van 22 juli 2010 niet meer in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), op de grond dat appellant vanaf die datum weer geschikt is voor zijn arbeid.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2010 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank overweegt dat door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 31 maart 2011 afdoende is gereageerd op de door appellant in beroep overgelegde medische stukken van zijn behandelend neuroloog en huisarts. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat appellant met ingang van 22 juli 2010 geschikt is voor zijn arbeid in de zin van de ZW, zijnde het laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte werk van tuinbouwmedewerker.

3. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat hij op de datum in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Appellant stelt dat uit het in beroep overgelegde huisartsjournaal en het bericht van de neuroloog F.E. Reesink-Faber van 24 maart 2011 blijkt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant verzoekt de Raad een deskundige te benoemen die nader onderzoek zou moeten verrichten naar de beperkingen die hij ondervindt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt onderschreven. Aan de door appellant in beroep ingebrachte stukken kan, mede gezien de reacties die het Uwv daarop in beroep heeft gegeven, niet die betekenis worden toegekend die appellant eraan gehecht wil zien. In de brief van de neuroloog Reesink-Faber worden vooral de klachten vermeld die zijn gebaseerd op de anamnese van appellant zelf. De neuroloog komt tot de conclusie dat er sprake is van lokale nekklachten en heeft geen aanwijzingen gevonden voor radiculopathie of neuropathie. De door de huisarts en de neuroloog vermelde nekklachten waren ten tijde hier in geding reeds bekend. Door het Uwv is onderbouwd waarom deze informatie niet leidt tot een ander standpunt.

4.2. De onderzoeken van de verzekeringsartsen en de medische stukken zijn dan ook voldoende grondslag voor de onderbouwing van het standpunt dat appellant geschikt te achten is voor zijn werk. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die zijn stelling ondersteunt dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen hebben onderschat en dat hij niet in staat kan worden geacht om zijn eigen werk te verrichten.

4.3. Hieruit volgt dat er geen aanleiding is een onafhankelijk deskundige te benoemen.

5. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2012.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) Z. Karekezi

GdJ