Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-894 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de verplichting tot solliciteren en oplegging verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op sociale activering. De in de gedingstukken opgenomen medische informatie leidt tot het oordeel dat er voldoende grond was om aan te nemen dat voor appellante de mogelijkheid bestaat dat zij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, zal verkrijgen. De informatie van de reumatoloog bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sociale activering niet mogelijk of verantwoord zou zijn. Het college heeft appellante op goede gronden geschikt geacht voor deelname aan een voorziening gericht op sociale activering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/894 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 december 2010, 09/2234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak 18 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B. Bogaart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.A.M. Tonnaer, advocaat, als opvolgend gemachtigde. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Ter beoordeling van de verplichting tot arbeidsinschakeling op grond van de WWB, heeft het college een medisch onderzoek laten verrichten naar de belastbaarheid van appellante. In dit kader is appellante medisch onderzocht door T. Hupkens (Hupkens), als arts werkzaam bij Reaned, die op 30 januari 2009 een rapport heeft uitgebracht. Hupkens heeft zijn advies aangevuld na ontvangst van schriftelijke medische informatie, gedateerd op 6 maart 2009, van de reumatoloog van appellante. In zijn advies concludeert Hupkens dat appellante tijdelijk volledig arbeidsongeschikt is voor betaalde werkzaamheden of voor een traject naar werk. Een traject tot sociale activering is wel haalbaar. Op basis van dit onderzoek heeft het college bij besluit van 23 april 2009 appellante tot 1 maart 2010 ontheffing verleend van de verplichting tot solliciteren en haar de verplichting opgelegd om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op sociale activering, voor 2 maal 2 uur per week, uit te breiden tot maximaal 4 maal 4 uur per week.

1.2. Bij besluit van 11 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2009 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd een nadere toelichting van Hupkens op zijn advies, naar aanleiding van een vraag van de commissie bezwaarschriften, om een geleidelijk toenemende activiteit en lichamelijke belasting toe te passen, waarbij de opstart zeer laag gehouden moet worden vanwege de lange duur van de inactiviteit van appellante. De toename van de klachten zal volgens Hupkens tijdelijk zijn. Een dergelijke toename geldt voor vrijwel iedere ziekte na een periode van inactiviteit en zeker bij klachten van het bewegingsapparaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat er gelet op haar structurele functionele beperkingen geen realistisch perspectief op arbeidsinschakeling bestaat. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar een schrijven van de reumatoloog van 21 december 2009. De adviezen waarop het bestreden besluit is gebaseerd zijn tegenstrijdig, aangezien het gaat om structurele beperkingen ten aanzien waarvan tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat deze tijdelijk zouden kunnen zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter beoordeling ligt de vraag voor of het college aan appellante de verplichting mocht opleggen gebruik te maken van de aangeboden voorziening gericht op sociale activering.

4.2. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende, voor zover hier van belang, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder b, van de WWB wordt onder arbeidsinschakeling verstaan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder c, van de WWB wordt onder sociale activering verstaan het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.

4.3. Uit de tekst van artikel 6, aanhef en onder c, van de WWB in verbinding met artikel 6, aanhef en onder b, van de WWB vloeit voort dat voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering voor een aantal uur per week, is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat de belanghebbende op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, kan verkrijgen.

4.4. De in de gedingstukken opgenomen medische informatie leidt tot het oordeel dat er ten tijde van belang voldoende grond was om aan te nemen dat voor appellante de mogelijkheid bestaat dat zij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, zal verkrijgen. Hupkens concludeert dat er sprake is van structurele functionele beperkingen, maar concludeert tevens dat vanuit medisch objectief standpunt een geleidelijke opbouw van activiteiten mogelijk moet zijn. Uit de informatie van de reumatoloog van 6 maart 2009, opgevraagd door Hupkens, komt weliswaar naar voren dat de resultaten van de behandelingen die appellante in het verleden heeft ondergaan slechts tot een minimaal resultaat hebben geleid en dat hij ten aanzien van de prognose somber gestemd is, maar de reumatoloog trekt niet de conclusie dat appellante nooit meer algemeen geaccepteerde arbeid zal kunnen verrichten. Ook het schrijven van de reumatoloog van 21 december 2009 bevat niet een dergelijke conclusie.

4.5. Dat Hupkens concludeert dat de beperkingen van appellante structureel van aard zijn, betekent niet dat hij niet tegelijkertijd tot het advies kon komen dat de activiteiten van appellante geleidelijk moeten worden opgebouwd. Hierbij is van betekenis dat Hupkens slechts een beperkte sociale activering heeft geadviseerd van 2 maal 2 uur per week, oplopend tot maximaal 4 maal 4 uur per week. Hupkens baseert zich op de laatste stand van de wetenschap, waarbij ten aanzien van een aandoening als die van appellante een geleidelijk toenemende activiteit en lichamelijke belasting wordt toegepast. Bij de totstandkoming van zijn advies heeft Hupkens zich, naast zijn eigen onderzoek, gebaseerd op informatie van de behandelend reumatoloog van appellante. De informatie van de reumatoloog bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sociale activering niet mogelijk of verantwoord zou zijn. Het betoog van appellante dat het advies van Hupkens strijdig is met de informatie van de reumatoloog slaagt daarom niet.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen, komt de Raad met de rechtbank tot het oordeel dat het college appellante op goede gronden geschikt heeft geacht voor deelname aan een voorziening gericht op sociale activering. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) R. Scheffer

HD