Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-147 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. De hoogte van de maatregel wordt bepaald op 50% gedurende 24 maanden. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door een op haar naam staand onroerend goed te Marokko ter waarde van € 156.000,-- om niet over te dragen (aan haar zus). Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak stelt de Raad vast dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in de uitspraak van 19 februari 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over (de juridische kwalificatie van) het zonder tegenprestatie overdragen van haar vermogen in de vorm van onroerend goed, de bevoegdheid tot het opleggen van een maatregel en de hoogte van de maatregel in die zin dat op goede gronden is afweken van de standaardmaatregel. De grief van appellante dat er geen grond is voor de maatregel kan daarom thans niet meer aan de orde komen. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid tot een maatregel van 50% gedurende 24 maanden heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/147 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 december 2010, 09/1045 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

Datum uitspraak 18 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Th. A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken nrs. 11/148 en 11/149, plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.T.M. Schwering. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. Heden wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 4 september 2008 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellante niet tijdig de aan haar gevraagde stukken heeft overgelegd. Bij besluit op bezwaar van 9 december 2008 heeft het college aan appellante alsnog met ingang van 4 september 2008 bijstand op grond van de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Hierbij is medegedeeld dat de uitkering met toepassing van artikel 18, tweede lid van de WWB en artikel 4, eerste en tweede lid, onder a, in verbinding met artikel 9, eerste lid, van de Afstemmingsverordening met ingang van

4 september 2009 (lees: 2008) voor de duur van 24 maanden met 100% wordt verlaagd, omdat appellante blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door een op haar naam staand onroerend goed te Marokko ter waarde van € 156.000,-- om niet over te dragen (aan haar zus).

1.2. Het tegen het besluit van 9 december 2008 ingestelde beroep is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 19 februari 2009, 09/137 en 09/138, gegrond verklaard, waarbij dit besluit is vernietigd en aan het college is opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank onder meer overwogen dat appellante het bewuste onroerend goed in Marokko in eigendom heeft gehad en in 2008 zonder tegenprestatie heeft overgedragen aan haar zuster, dat zij daarmee een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van bestaan heeft getoond en dat het college terecht en op goede gronden aanleiding heeft gezien om wegens de ernst van de gedraging met toepassing van artikel 9, eerste lid, van de verordening van de standaardmaatregel van 50% voor de duur van één maand af te wijken. Omdat het college echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank niet duidelijk had gemaakt waarom het had gekozen voor een duur van de maatregel van 24 maanden en omdat de individuele omstandigheden van appellante door het college niet bij de besluitvorming waren betrokken, is het besluit van 9 december 2008 op die onderdelen onvoldoende gemotiveerd geacht.

1.3. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van 19 februari 2009 heeft het college op 24 maart 2009 een nieuw besluit genomen. Daarbij is de maatregel van 100% gedurende 24 maanden gehandhaafd.

1.5. Bij uitspraak van 28 mei 2009, 09/1044, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek van appellante om een voorlopige voorzienig toegewezen en daarbij overwogen dat de opgelegde maatregel buiten proportie is, maar dat een maatregel van 50% gedurende 24 maanden de evenredigheidstoets kan doorstaan.

1.6. Bij besluit van 16 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 24 maart 2009 in die zin gewijzigd dat de hoogte van de maatregel wordt bepaald op 50% gedurende 24 maanden.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2009 in rechte vaststaat dat appellante met de overdracht van het onroerend goed zonder tegenprestatie een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond en dat het college op goede gronden aanleiding heeft gezien om af te wijken van de standaardmaatregel. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college gelet op de omstandigheden van het geval in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft primair aangevoerd dat zij niet de werkelijke eigenaresse van het onroerend goed is en er dus geen grond was voor de maatregel en subsidiair dat de maatregel niet redelijk is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak stelt de Raad vast dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in de uitspraak van 19 februari 2009 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over (de juridische kwalificatie van) het zonder tegenprestatie overdragen van haar vermogen in de vorm van onroerend goed, de bevoegdheid tot het opleggen van een maatregel en de hoogte van de maatregel in die zin dat op goede gronden is afweken van de standaardmaatregel. De grief van appellante dat er geen grond is voor de maatregel kan daarom thans niet meer aan de orde komen. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid tot een maatregel van 50% gedurende 24 maanden heeft kunnen komen. Daarbij is van betekenis dat appellante, indien zij het onroerend goed niet had overgedragen, uitgaande van de niet betwiste waarde van het onroerende goed van € 156.000,-- minus het vrij te laten vermogen van € 5.455,-- een schuld aan het college van € 6.399,83 en de schuld als gevolg van de terugvordering van

€ 114.145,-- (zie uitspraak van heden nr. 11/148 en 11/149) nog gedurende 35 maanden zelf in haar levensonderhoud had kunnen voorzien.

4.2. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) R. Scheffer

HD