Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-627 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing aanvraag voor verlenging van de woonkostentoeslag. Bezien in het licht van zijn hoge woonlasten in relatie met het lage gezinsinkomen en de wetenschap dat de toeslag in beginsel slechts voor 1 jaar was toegekend, had van appellant een grotere inspanning verwacht mogen worden bij het zoeken naar goedkopere woonruimte. Dat appellant in 2009 in een moeilijke situatie verkeerde en daardoor in beslag werd genomen is begrijpelijk, maar maakt het voorgaande niet anders. Niet is gebleken dat de gevraagde inspanningen een grote tijdsbelasting van appellant vergde. 2) Terugvordering woonkostentoeslag 2009. Bij de berekening van de toeslag is van een onjuist inkomen uitgegaan. Het had appellant duidelijk kunnen zijn dat de hoogte van de toeslag mede afhankelijk is van de hoogte van het gezinsinkomen en dat wijziging van dit inkomen zou kunnen leiden tot wijziging van de hoogte van de toeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/627 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 december 2010, 10/3937 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak 18 september 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. van der Plaats.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woont met zijn gezin in een koopwoning te [woonplaats]. De kosten verbonden aan deze woning zijn door het college berekend op € 2.753,33 per maand. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het college appellant en zijn partner mevrouw [V.] ([V.]) met ingang van 1 januari 2009 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag van € 2.190,95 per maand toegekend voor een periode van maximaal één jaar. Bij de berekening is rekening gehouden met een geschat inkomen van [V.]. Aan deze toekenning heeft het college de inspanningsverplichting verbonden de woning te koop te zetten en te zoeken naar goedkopere woonruimte.

1.2. Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college de aanvraag van appellant voor verlenging van de woonkostentoeslag met ingang van 1 januari 2010 afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de woonkosten niet langer worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet Werk en bijstand (WWB). Appellant heeft in onvoldoende mate voldaan aan de hem bij besluit van 12 maart 2009 opgelegde inspanningsverplichting. Tevens heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 herzien en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.333,08 van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat bij de berekening van de toeslag van een onjuist inkomen van [V.] is uitgegaan.

1.3. Bij besluit van 13 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Woonkostentoeslag voor het jaar 2010

4.1. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat het college aan de toekenning van de woonkostentoeslag aan appellant en [V.] de verplichtingen heeft verbonden om hun woning te koop te zetten, zich in te schrijven bij WoningNet en te reageren op woningen die passend zijn bij hun (financiële) situatie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende aan deze inspanningsverplichting voor wat betreft het zoeken naar een goedkopere woning heeft voldaan. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant aanvankelijk zijn zoekopdracht naar woonruimte bij WoningNet heeft beperkt tot één wijk en later in het jaar 2009 tot enkele wijken in [woonplaats]. In maart 2010 heeft appellant zijn zoekopdracht verder verruimd binnen de gemeente Haarlemmermeer. Verder heeft appellant na het verkrijgen van een urgentieverklaring in september 2009 in ieder geval gedurende 2 maanden - zoals appellant ter zitting heeft erkend - niet meer gereageerd op aangeboden woningen.

4.3. Gelet op het voorgaande, bezien in het licht van zijn hoge woonlasten in relatie met het lage gezinsinkomen en de wetenschap dat de toeslag in beginsel slechts voor 1 jaar was toegekend, had van appellant een grotere inspanning verwacht mogen worden bij het zoeken naar goedkopere woonruimte. Dat appellant in 2009 in een moeilijke situatie verkeerde en daardoor in beslag werd genomen is begrijpelijk, maar maakt het voorgaande niet anders. Niet is gebleken dat de gevraagde inspanningen een grote tijdsbelasting van appellant vergde. Bovendien had ook [V.] de nodige inspanningen kunnen verrichten met betrekking tot het zoeken naar goedkopere woonruimte.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, anders dan door appellant is betoogd, de voor rekening van appellant komende woonlasten na 1 januari 2010 niet gerekend kunnen worden tot de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het college heeft de aanvraag voor voortzetting van de woonkostentoeslag voor het jaar 2010 dan ook terecht geweigerd.

Terugvordering woonkostentoeslag 2009

4.5. De berekening en de hoogte van het terugvorderingsbedrag is niet betwist. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. Hiertoe wordt overwogen dat het college in het besluit van 12 maart 2009 de berekening van de hoogte van de toeslag heeft uiteengezet. Het had appellant op grond hiervan duidelijk kunnen zijn dat de hoogte van de toeslag mede afhankelijk is van de hoogte van het gezinsinkomen en dat wijziging van dit inkomen zou kunnen leiden tot wijziging van de hoogte van de toeslag.

4.6. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) R. Scheffer

HD