Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11/1518 WWB + 11/1520 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 is aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Geen zeer dringende redenen. Afwijzing bijzondere bijstand. Het gegeven dat aan appellant studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 is toegekend, staat in de weg aan het verlenen van bijzondere bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1518 WWB, 11/1520 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2011, 10/3155 en 10/4985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

Het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst De Rijnstreek (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak 18 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [T.] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door [T.]. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F. Elidrissi.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 4 september 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Hij voerde met zijn broer [naam broer] een gezamenlijke huishouding.

1.2. In verband met het volgen van een MBO studie ICT is aan appellant met ingang van 1 augustus 2009 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend. Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur in verband met de inkomsten uit studiefinanciering met ingang van 1 augustus 2009 op de bijstand een bedrag van € 543,73 per maand in mindering gebracht.

1.3. Op 3 november 2009 is de broer van appellant verhuisd naar de gemeente Leiden. Bij besluit van 23 december 2009 heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, de bijstand met ingang van 3 november 2009 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.4. Bij besluit van 18 maart 2010 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft daaraan, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van 3 november 2009 niet langer een gezamenlijke houding voert met zijn broer. De aan appellant toegekende studiefinanciering wordt op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB aangemerkt als een voorliggende en toereikende voorziening voor de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Voor verlening van bijstand op grond van artikel 16 van de WWB bestaat evenmin grond. Van zeer dringende redenen is in de situatie van appellant niet gebleken.

1.5. Op 3 november 2009 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude ingediend. Van doorzending van deze aanvraag naar het dagelijks bestuur is niet gebleken. Op 17 december 2009 heeft appellant een afschrift van deze aanvraag verzonden naar het dagelijks bestuur.

1.6. Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Bij besluit van 8 juni 2010 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2010 ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft daaraan, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellant studiefinanciering ontvangt, dat studiefinanciering een passende en toereikende voorliggende voorziening is voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dat er geen zeer dringende redenen zijn, die aanleiding geven om tot verlening van bijstand over te gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, voor zover hier van belang, aangevoerd dat het dagelijks bestuur zowel bij de intrekking van de bijstand als bij de beoordeling van zijn aanvraag om bijzondere bijstand de bijzondere omstandigheden waarin hij verkeert heeft miskend. Ter toelichting op zijn situatie heeft appellant er op gewezen dat hij op basis van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd in Nederland verblijft, door het vertrek van zijn broer van de ene op de andere dag voor bijzondere kosten is komen te staan, hij financieel niet kan terugvallen op een netwerk, en in verband met zijn taalachterstand minder makkelijk dan andere studenten in staat is bijverdiensten te realiseren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat het geding zich toespitst op de beoordeling van de gronden, zoals omschreven onder 3.

Intrekking bijstand

4.2. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in dit geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 3 november 2009 tot en met 23 december 2009.

4.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 8 juni 2010, LJN BM7255) is de studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Aangezien appellant gedurende de hier te beoordelen periode studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 ontving, stond artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB dan ook in beginsel aan het verlenen van bijstand in de weg.

4.5. Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB, niettemin bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2002-2003, 28870, nr. 3, blz. 46-47) dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. In hetgeen appellant in dit kader heeft aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Ter zitting is namens appellant nog te kennen gegeven dat gedurende de periode in geding geen sprake was van een acute noodsituatie, zoals een dreigende huisuitzetting of afsluiting van nutsvoorzieningen. Aan het dagelijks bestuur komt niet de bevoegdheid toe om in afwijking van artikel 15 WWB toch tot verlening van bijstand over te gaan. Dat de voormalige gemeente Maarssen een buitenwettelijk beleid voert, op grond waarvan personen die in vergelijkbare omstandigheden als appellant verkeren wel in aanmerking kunnen komen voor financiële ondersteuning, brengt niet mee dat het dagelijks bestuur van intrekking van de bijstand zou moeten afzien. Het dagelijks bestuur heeft dan ook terecht de bijstand met ingang van 3 november 2009 ingetrokken, aangezien appellant op dat moment niet langer aanspraak had op een uitkering naar de norm voor gehuwden vanwege de verhuizing van zijn broer.

Afwijzing bijzondere bijstand

4.6. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.7. Met verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.3 tot en met 4.5 staat het gegeven dat aan appellant gedurende de periode in geding studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 is toegekend in de weg aan het verlenen van bijzondere bijstand. Het dagelijks bestuur komt niet de bevoegdheid toe om appellant bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten.

4.8. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) R. Scheffer

HD