Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11/141 WWB + 11/143 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens. Appellant en echtgenote waren vanaf 15 januari 1993 naar Nederlands recht ongehuwd, omdat op die datum de tussen appellant en zijn echtgenote uitgesproken echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage is ingeschreven. In het bevolkingsregister in Marokko staan zij nog als gehuwd geregistreerd. Echtgenote beschikte over onroerend goed in Marokko. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over het op naam van zijn echtgenote staande onroerend goed in Marokko. Het college had moeten beoordelen of sprake was van een gezamenlijke huishouding. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant en zijn echtgenote vanaf 6 februari 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant had de beschikking over een auto. De uitkomst van de door het college gehanteerde methode voor de waardevaststelling van de auto is niet onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/141 WWB, 11/143 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 december 2010, 08/3186 en 08/3275 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

Datum uitspraak 18 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 25 februari 2011 heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 11/147, 11/148 en 11/149, plaatsgevonden op 7 augustus 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, kantoorgenoot van mr. Van Dijk, en waar het college zich heeft laten vertegenwoordigen door W.T.M. Schwering. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1970 in Marokko gehuwd met [naam echtgenote] ([naam echtgenote]). Op 15 januari 1993 is de tussen appellant en [naam echtgenote] uitgesproken echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. In het bevolkingsregister in Marokko staan zij nog als gehuwd geregistreerd. Appellant ontving met enkele onderbrekingen vanaf 1 april 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van onduidelijkheid over de woonsituatie van appellant en [naam echtgenote] en omdat uit een door het Bureau buitenland ingesteld onderzoek naar voren is gekomen dat [naam echtgenote] vanaf 17 februari 1989 onroerend goed op haar naam heeft staan te [T. ] in Marokko, waarvan de waarde in 2003 is vastgesteld op (omgerekend) € 156.000,--, heeft het college onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, heeft een buurtonderzoek bij de woning van appellant en bij de woning van [naam echtgenote] plaatsgevonden en is een huisbezoek op het adres van appellant afgelegd.

1.3. De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een overdrachtsrapportage van 25 april 2008 en een rapport van bevindingen van 15 augustus 2008, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 11 juni 2008 de bijstand van appellant te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 1 april 2008. Voorts heeft het college bij besluit van 3 juli 2008 de bijstand ingetrokken over de periode van 1 april 1996 tot en met 11 december 2000, van 29 december 2000 tot en met 31 oktober 2003 en van 23 april 2004 tot en met 31 maart 2008. Tevens zijn bij dit besluit de gemaakte kosten van bijstand over de hiervoor genoemde perioden tot een bedrag van € 110.773,83 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluiten van 16 september 2008 (bestreden besluit 1) en 23 september 2008 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 juni 2008 en 3 juli 2008 ongegrond verklaard. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen recht heeft op bijstand omdat hij, zonder daarvan bij het college mededeling te doen, van 17 februari 1989 tot 20 mei 2008 met [naam echtgenote] heeft beschikt over het op naam van [naam echtgenote] staande onroerende goed in Marokko dat tot de onverdeelde boedel behoort en waarvan de waarde het vrij te laten vermogen overschrijdt. Voorts heeft appellant van 14 mei 2002 tot 24 april 2008 een Mercedes E290 met kenteken [kenteken] (Mercedes) op zijn naam gehad met een waarde van € 15.000,-- en leefde hij vanaf 6 februari 2008 niet duurzaam gescheiden van [naam echtgenote].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten

1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor belanghebbende belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand van appellant is voldaan in beginsel op het college rust. De intrekking met ingang van 1 april 2008 dient te worden beoordeeld tot en met 11 juni 2008.

4.2. In zijn uitspraak van heden in de zaken geregistreerd onder de nrs. 11/148 en 11/149 heeft de Raad geoordeeld dat [naam echtgenote] gedurende de periode van 17 februari 1989 tot en met 20 mei 2008 heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over het op haar naam staande onroerend goed in Marokko, zodat zij gedurende die periode beschikte over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Raad naar de hiervoor genoemde uitspraak.

4.3. Dat ook appellant van 1 april 1996 tot en met 20 mei 2008 heeft beschikt of redelijkerwijs kon beschikken over het op naam van [naam echtgenote] staande onroerend goed, omdat dit onroerend goed tot de onverdeelde boedel van appellant en [naam echtgenote] behoort, is niet door het college aannemelijk gemaakt. Appellant heeft ontkend dat het onroerend goed tot de onverdeelde boedel behoort en het college heeft het tegendeel niet met objectieve en verifieerbare gegevens kunnen staven.

4.4. In de onder 4.2 genoemde uitspraak is vastgesteld dat appellant en [naam echtgenote] vanaf 15 januari 1993 naar Nederlands recht ongehuwd waren, omdat op die datum de tussen appellant en [naam echtgenote] uitgesproken echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage is ingeschreven. Gelet hierop heeft het college, door het recht op bijstand te toetsen aan het criterium van duurzaam gescheiden leven, een onjuiste maatstaf opgelegd. Het college had moeten beoordelen of sprake was van een gezamenlijke huishouding. De verklaringen van de getuigen uit de buurt van de woning van appellante, de verklaringen van getuigen uit de buurt van het adres [adres], waar appellant vanaf 6 februari 2008 stond ingeschreven, de uitkomsten van het op dat adres afgelegde huisbezoek en de overige onderzoeksgegevens bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant en [naam echtgenote] vanaf 6 februari 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dit brengt met zich dat het standpunt van het college dat appellant vanaf 6 februari 2008 niet kan worden aangemerkt als zelfstandig rechtssubject, omdat hij moet worden aangemerkt als een gehuwde, geen stand houdt.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de Mercedes in de periode van 14 mei 2002 tot 13 augustus 2002, van 1 juli 2004 tot 13 augustus 2004, van 20 juni 2006 tot 26 september 2006 en van 3 maart 2008 tot 24 augustus 2008 op naam van appellant heeft gestaan en dat appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college.

4.6. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd. De stelling van appellant dat de Mercedes aan zijn kinderen toebehoorde maar op zijn naam stond, omdat hij deze goedkoper kon verzekeren is daarvoor onvoldoende. De Mercedes is op 14 mei 2002 gekocht en op naam van appellant gezet. Daarna heeft de Mercedes tot 24 augustus 2008 afwisselend op naam van appellant of op naam van zijn zoon of dochter gestaan. Bovendien staat vast dat het kenteken in de meeste periodes, waarin het op naam van de zoon of dochter van appellant stond, gedurende een substantieel deel van de betreffende periode geschorst is geweest. Onder deze omstandigheden moet het er voor worden gehouden dat de Mercedes gedurende de gehele periode van 14 mei 2002 tot 24 augustus 2008 een bestanddeel vormde van het vermogen waarover appellant beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

4.7. Het college heeft de waarde van de Mercedes per 14 mei 2002 vastgesteld op € 15.000,--. Omdat het een oude auto betreft en omdat bij de waardevaststelling over een langere periode moest worden teruggerekend heeft het college de website van Autoweek geraadpleegd. Appellant heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat niet van deze waardevaststelling kan worden uitgegaan. Ook heeft appellant niet aangetoond dat de Mercedes op 14 mei 2002 voor een lager bedrag is aangeschaft. In de omstandigheden van dit geval acht de Raad de uitkomst van de door het college gehanteerde methode voor de waardevaststelling van de Mercedes niet onaannemelijk.

4.8. Gelet op hetgeen in 4.5 tot en met 4.7 is overwogen beschikte appellant gedurende de periode van 14 mei 2002 tot 24 augustus 2008 over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens, zodat hij gedurende de periode van 14 mei 2002 tot en met 31 oktober 2003 en van 23 april 2004 tot en met 11 juni 2008 geen recht had op bijstand. Het college was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over deze perioden van appellant in te trekken. Hiermee is tevens gegeven dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de over de periode van 14 mei 2002 tot en met 31 oktober 2003 en van 23 april 2004 tot en met 31 maart 2008 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

4.9. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.3 tot en met 4.8 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaren. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaren, dit besluit vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 april 1996 tot en met 11 december 2000 en van 29 december 2000 tot 14 mei 2002 en het besluit van 3 juli 2008 in zoverre herroepen. Dit betekent dat slechts nog het bedrag van de terugvordering over de periode van 14 mei 2002 tot en met 31 oktober 2003 en van 23 april 2004 tot en met 31 maart 2008 dient te worden vastgesteld, terwijl de daarvoor geldende bedragen geen onderwerp van geschil meer kunnen zijn. De Raad kan deze berekening zelf niet maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit. Onder deze omstandigheden ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 966,-- in beroep en op € 655,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor de zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 23 september 2008 gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 september 2008 voor zover dit besluit ziet op de intrekking van

de bijstand over de periode van 1 april 1996 tot en met 11 december 2000 en van

29 december 2000 tot 14 mei 2002 en herroept het besluit van 3 juli 2008 in zoverre;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2008 te

nemen voor zover dat besluit ziet op de terugvordering van de kosten van ten onrechte

verleende bijstand met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.265,50;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 150,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) R. Scheffer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD