Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
10-1943 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zorgvuldig en volledig geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat (de verlammende invloed van) de angst en de cardiologische klachten zijn onderkend en meegewogen. Alle specialisten hebben aangegeven dat appellant voor arbeid belastbaar is. De bezwaarverzekeringsarts heeft erop gewezen dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in lijn zijn met de protocollen angststoornissen en depressieve klachten. Appellant moet met de vastgestelde beperkingen in staat worden geacht zijn werkzaamheden als montagemedewerker te verrichten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld, nu eerst in de bezwaarprocedure is vastgesteld dat appellant geschikt is voor de maatmanfunctie, toch geen sprake is van een verboden “reformatio in peius” omdat de mate van arbeidsongeschiktheid (minder dan 35%) ongewijzigd blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1943 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

16 maart 2010, 08/4085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [werkgever] (werkgever).

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [M. ] namens de werkgever meegedeeld als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen.

Desgevraagd heeft appellant geen toestemming verleend om zijn medische gegevens ter kennis van de werkgever te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werkgever heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Appellant en mr. Strijbosch zijn, met bericht, niet verschenen. Namens de werkgever is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 9 mei 2005 ziek gemeld met hartklachten voor zijn werk als montagemedewerker voor 38 uur per week. Nadien heeft appellant ook psychische klachten gekregen.

1.2. Bij besluit van 8 mei 2008 is vastgesteld dat appellant met ingang van 5 mei 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 5 mei 2008, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor hem geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens het Uwv een verlies aan verdiencapaciteit op van 29,12%, dus minder dan 35%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige appellant primair geschikt geacht voor het eigen werk als montagemedewerker, dat fysiek licht van aard is. Daarnaast heeft de bezwaararbeidsdeskundige appellant geschikt geacht voor de geduide functies. Bij besluit van 9 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, noch aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat de medische bevindingen van de verzekeringsartsen niet juist zijn. In de door appellant in beroep ingebrachte informatie van sociaal psychiatrisch verpleegkundige H. Schulkens verbonden aan GGzE van 6 oktober 2009, alsmede de rapportage van bedrijfsarts J. Dam van 17 november 2009 heeft de rechtbank, mede gelet op de reactie hierop van de bezwaarverzekeringsarts, geen grond gezien voor een ander oordeel.

3.1. In hoger beroep, dat zich uitsluitend richt tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit, heeft appellant in het bijzonder gronden aangevoerd met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat zijn algemene angst voor een recidive van zijn hartklachten door het Uwv voldoende is onderkend. Appellant herhaalt zijn verzoek om onderzoek door een onafhankelijk psychiater. Appellant stelt zich gesteund te weten door zijn werkgever.

3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep een nadere rapportage in gebracht van de bezwaarverzekeringsarts van 20 mei 2010 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 juni 2010.

3.3. De werkgever heeft in hoger beroep aangegeven zich te kunnen vinden in het standpunt van het Uwv. De werkgever heeft erop gewezen dat er een ontslagaanvraag is ingediend wegens verwijtbaar handelen dan wel verwijtbaar niet meewerken aan de re-integratie en dat het ontslag is verleend op 17 juni 2008.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest. Op hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in het in 3.2 vermelde rapport. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat (de verlammende invloed van) de angst en de cardiologische klachten zijn onderkend en meegewogen. Alle specialisten hebben aangegeven dat appellant voor arbeid belastbaar is. Ook psychiater drs. W.A.F. Sondermeijer is blijkens zijn schrijven van 15 mei 2008 van mening dat appellant, ondanks zijn angstklachten, al in augustus 2007 voor 3 tot 4 uur belastbaar was. De bezwaarverzekeringsarts heeft erop gewezen dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in lijn zijn met de protocollen angststoornissen en depressieve klachten. De FML is aangescherpt omdat er van cardiologische zijde geen bezwaar bestond tegen zwaardere fysieke werkzaamheden. De Raad acht deze toelichting voldoende. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant met de vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht zijn werkzaamheden als montagemedewerker te verrichten. Voor zover uit het proces verbaal van de zitting van de rechtbank zou moeten worden afgeleid dat er alleen sprake is van een schatting voor geduide functies, geldt dat de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam heeft gemotiveerd dat appellant ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen, in staat kan worden geacht de geduide functies te vervullen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op het hoger beroepschrift gereageerd in het rapport van 10 juni 2010.

4.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld, nu eerst in de bezwaarprocedure is vastgesteld dat appellant geschikt is voor de maatmanfunctie, toch geen sprake is van een verboden “reformatio in peius” omdat de mate van arbeidsongeschiktheid (minder dan 35%) ongewijzigd blijft.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt