Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
11-2324 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening intrekkingsbesluit WAO: geen nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat het intrekkingsbesluit onjuist zou zijn. Er was geen reden om appellant op te roepen voor (lichamelijk) onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2324 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011, 10/3728 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was van 6 juni tot 27 november 1989 werkzaam als tuinarbeider in de paprikateelt. Hij heeft zich met ingang van 27 november 1989 ziek gemeld. Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant met ingang van 26 november 1990 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn bij besluit van 10 juni 1996 met ingang van 4 juni 1996 ingetrokken. Hiertegen heeft appellant destijds geen beroep ingesteld.

1.2. Een andere rechtsvoorganger van het Uwv heeft bij besluit van 21 mei 2001 geweigerd om terug te komen van het besluit van 10 juni 1996 omdat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Tegen het besluit van 21 mei 2001 heeft appellant destijds geen bezwaar gemaakt.

2.1 Appellant heeft bij brief van 24 november 2009 het Uwv andermaal verzocht het besluit van 10 juni 1996 te herzien omdat hij nog steeds ziek is en niet kan werken.

2.2. Het Uwv heeft bij besluit van 29 januari 2010 het in 2.1 vermelde verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 10 juni 1996 onjuist zou zijn.

3.1. In de bezwaarprocedure heeft appellant vergelijkbare gronden aangevoerd als bij zijn in 2.1 vermelde verzoek. Voorts heeft volgens appellant ten onrechte geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden.

3.2. Het Uwv heeft bij besluit van 1 juli 2010 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2010 ongegrond verklaard. Het Uwv stelde daarbij - onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - vast dat noch bij het verzoek noch in de bezwaarprocedure nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 zijn vermeld.

4.1. In beroep heeft appellant zijn in bezwaar aangevoerde gronden in essentie herhaald. Voorts heeft appellant informatie van de hem in [A.] behandelend specialist van 9 november 2010 overgelegd.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juli 2010 (betreden besluit) ongegrond.

5.2. De rechtbank heeft, na in het licht van artikel 4:6 van de Awb het beoordelingskader voor een verzoek als dat van appellant te hebben uiteengezet, het bestreden besluit onderschreven. Ook volgens de rechtbank heeft appellant bij zijn verzoek en in de bezwaarprocedure geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeld. Voorts stemde de rechtbank in met de toelichting op haar zitting van de zijde van het Uwv dat ook geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de in 4.1 vermelde informatie.

6. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald.

7.1. Gegeven het door de rechtbank geschetste beoordelingskader als bedoeld in 5.2 ziet ook de Raad geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden. Appellant heeft immers aan zijn verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag gelegd. Ook heeft hij deze in bezwaar niet aangevoerd. Er was voor het Uwv dan ook geen reden appellant op te roepen voor een (lichamelijk) onderzoek. De Raad tekent nog wel aan dat de rechtbank, zoals van de zijde van het Uwv ter zitting met juistheid is opgemerkt, in een procedure als deze geen rekening had moeten houden met de eerst in beroep door appellant overgelegde medische informatie. De Raad wijst hiervoor op zijn vaste rechtspraak over de toepassing van artikel 4:6 van de Awb zoals die blijkt uit bijvoorbeeld zijn uitspraken van 30 maart 2004 (LJN AO8674) en 14 september 2007

(LJN BB3594).

7.2. Overweging 7.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met gedeeltelijke verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) M.R. Schuurman