Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
11-5092 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering afgewezen: geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De door appellant bij zijn verzoek overgelegde gegevens bevatten geen nieuwe gezichtspunten omtrent appellants arbeidsongeschiktheid in de periode in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5092 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2011, 10/2707 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 oktober 2011 heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 oktober 1972 is aan appellant met ingang van 17 mei 1972 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Raad van Beroep te Haarlem heeft bij uitspraak van 28 februari 1973 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2. Bij besluit van 10 oktober 1973 is de WAO-uitkering ingaande 31 juli 1973 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum was afgenomen naar minder dan 15%. De Raad van Beroep te Haarlem heeft bij uitspraak van 12 september 1974 dit besluit bevestigd. Deze Raad heeft bij uitspraak van 23 juni 1976 (zaaknummer WAO 1974/970) de uitspraak van de Raad van Beroep bevestigd.

1.3. Bij besluit van 15 oktober 1979 is aan appellant met ingang van 29 december 1976 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.4. Bij brief van 28 augustus 2008 heeft appellant het Uwv verzocht zijn rechten te erkennen en hem vanaf 17 mei 1972 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij na het bedrijfsongeval in 1971 niet meer in staat is geweest arbeid te verrichten.

1.5. Bij besluit van 29 december 2008, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van

6 mei 2010, heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellant afgewezen. De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben geen medische gronden gezien die aanleiding zouden moeten geven om tot herziening van de besluiten van 24 oktober 1972 en 10 oktober 1973 over te gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden onderschreven.

3. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat hij vanaf 7 april 1971 - de Raad begrijpt: in het bijzonder in de periode van 17 mei 1972 tot 29 december 1976 - volledig arbeidsongeschikt is gebleven. Appellant geeft aan dat hij nog steeds onder behandeling is en dat zijn huisarts van mening is dat hij niet kan werken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het verzoek van appellant van 28 augustus 2008 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van de besluiten als genoemd onder 1.1 en 1.2. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

4.2. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad mag, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank, hierop neerkomend dat hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn verzoek van 28 augustus 2008 heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, geen nieuwe feiten of omstandigheden inhouden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De door appellant bij zijn verzoek overgelegde gegevens bevatten geen nieuwe gezichtspunten omtrent appellants arbeidsongeschiktheid over de periode 17 mei 1972 tot 29 december 1976. Die gegevens zijn derhalve terecht door het Uwv niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb aangemerkt.

4.4. Bij het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb was ook naar het oordeel van de Raad het Uwv bevoegd het verzoek van appellant af te wijzen en daarbij te volstaan met een verwijzing naar de eerdere afwijzende beslissingen. Er bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.5. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning