Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
11-5947 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling recht op loongerelateerde WGA-uitkering: arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Appellante betoogd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft terecht de door haar geraadpleegde deskundige gevolgd in diens conclusie dat naast de reeds door de verzekeringsartsen van het Uwv in de FML vastgelegde beperkingen, een urenbeperking van anderhalf uur per dag aangewezen is. Uitgaande van de juistheid van de aldus aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige op juiste wijze berekend dat het theoretische verlies aan verdiencapaciteit van appellante 49,03% bedraagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5947 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 augustus 2011, 09/4924 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L. van Leer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2012. Namens appellante zijn verschenen mr. Van Leer en [echtgenoot], de echtgenoot van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het Uwv op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vastgesteld dat voor appellante met ingang van 4 mei 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%, met als einddatum 4 december 2010.

1.2. Het Uwv heeft het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar, gelet op de uitkomst van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 26 augustus 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de rapportage van 28 oktober 2010 van de door de rechtbank geraadpleegde psychiater prof. dr. G.F. Koerselman heeft de bezwaarverzekeringsarts alsnog een urenbeperking van gemiddeld anderhalf uur per dag opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Daarmee berust het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank op een toereikende medische grondslag. Naar aanleiding van nader onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige en aanpassing van de motivering is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit toereikend moet worden geacht. De nadere besluitvorming in beroep heeft de rechtbank aanleiding gegeven het Uwv te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten.

3.1. Ter onderbouwing van het standpunt dat zij in het geheel niet in staat is arbeid te verrichten, heeft appellante in hoger beroep overgelegd een brief van 31 mei 2012 van de psychotherapeute J. ten Broeke, verbonden aan Punt P. Sinds 27 september 2011 is appellante onder behandeling bij Punt P in [A. ] en vanaf maart 2012 volgt zij een intensieve behandeling die drie dagen per week in beslag neemt gedurende 9 tot maximaal 12 maanden. Uit de na uitvoerig onderzoek tot stand gekomen informatie van Punt P blijkt dat haar psychische stoornissen niet pas in september 2011 zijn ontstaan of vanaf dat moment zijn verergerd. Appellante is al lange tijd onder behandeling van verschillende behandelaars, die echter voornamelijk aan symptoombestrijding hebben gedaan en de bestaande stoornissen niet hebben aangepakt. Deze stoornissen zijn veel ernstiger dan door het Uwv is onderkend. Appellante acht het opvallend dat het Uwv thans in een nieuw besluit heeft bepaald dat zij wel 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, terwijl haar situatie niet anders is dan in mei 2009.

3.2. In de brief van 31 mei 2012 heeft de psychotherapeute van Punt P een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis bij appellante vastgesteld. Volgens appellante is deze diagnose tot stand gekomen na uitvoerig onderzoek. Hieruit blijkt dat de conclusie van Koerselman na één enkel gesprek van ongeveer een uur, dat er geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, onjuist is. De deskundige heeft in de visie van appellante bij zijn onderzoek onvoldoende rekening gehouden met haar sociale beperkingen.Het rapport van de deskundige is onzorgvuldig tot stand gekomen en de rechtbank had niet mogen afgaan op de inhoud daarvan, aldus appellante.

3.3. Ter zitting is namens appellante betoogd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad kan appellante niet volgen in de stelling dat zij reeds op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.

4.3. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Duurzame arbeidsongeschiktheid is volgens artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA slechts aan de orde in geval van een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Dit artikel beoogt een voorziening te treffen voor die werknemers die duurzaam zo ernstig zijn gehandicapt dat redelijkerwijs niet valt te verwachten dat zij op afzienbare termijn weer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen.

4.4. Appellante heeft haar standpunt dat zij reeds op de datum in geding, 4 mei 2009, verkeerde in een situatie waarop artikel 4 van de Wet WIA ziet, onderbouwd met de in 3.1 aangeduide brief van 31 mei 2012 van de behandelend psychotherapeute. Aan die brief kent de Raad niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien. Die brief bevat met name geen medische gegevens die twijfel wekken aan de juistheid van het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit.

4.5. De rechtbank heeft terecht de door haar geraadpleegde deskundige Koerselman gevolgd in diens conclusie dat naast de reeds door de verzekeringsartsen van het Uwv in de FML vastgelegde beperkingen, een urenbeperking van anderhalf uur per dag aangewezen is. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat in de vaste rechtspraak besloten ligt dat de conclusies van een onafhankelijke door de bestuursrechter geraadpleegde deskundige in beginsel wordt gevolgd en dat in dit geval geen aanleiding bestaat van dat uitgangspunt af te wijken. Uitgaande van de juistheid van de aldus aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige op juiste wijze berekend dat het theoretische verlies aan verdiencapaciteit van appellante 49,03% bedraagt. Appellante is derhalve terecht ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80%. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit kan worden gedragen door de aangepaste medische grondslag en de alsnog nader gemotiveerde arbeidskundige grondslag.

4.6. Het standpunt van appellante dat zij niet 35 tot 80%, maar 80 tot 100% arbeidsongeschikt was op de in geding zijnde datum behoeft geen bespreking. Enig belang bij bespreking van deze stelling kan niet zijn gelegen in het vaststellen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid, aangezien dit niet kan leiden tot andere rechtsgevolgen dan nu aan het bestreden besluit zijn verbonden. Daartoe wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2010, LJN BO4946). Voor het geven van een nader oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid ziet de Raad daarom geen aanleiding.

4.7. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) M.R. Schuurman