Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
11-6426 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WAO-uitkering: niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. Er zijn geen aanknopingspunten om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts over de betekenis van de beschikbare medische gegevens voor onjuist te houden. Er zijn op basis van de beschikbare medische gegevens ook geen aanwijzingen dat appellant de ten tijde in geding geldende wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6426 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2011, 10/3591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 september 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als schoonmaker toen hij zich met ingang van 19 september 1990 ziek meldde met aanvankelijk een luchtweginfectie. Later had hij klachten door hoofdpijn, duizeligheid en slaapstoornissen. Hij genoot met ingang van 19 september 1990 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Deze ZW-uitkering liep ondanks hersteldverklaringen met ingang van 18 november en 3 december 1990 in verband met wederom ziekmeldingen op

21 november en 11 december 1991 onafgebroken door. Appellant kreeg toestemming om op 11 januari 1991 naar [A. ] te vertrekken in verband met ziekte van zijn echtgenote maar hij diende zich op 13 februari 1991 op het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige te melden. Appellant kwam deze afspraak niet na en meldde zich uiteindelijk op 3 mei 1993 met de mededeling dat hij zich doorlopend arbeidsongeschikt achtte. Bij besluit van 22 oktober 1993 werd de ZW-uitkering van appellant met ingang van 13 februari 1991 ingetrokken, primair omdat appellant zijn werk weer kon verrichten en subsidiair omdat appellant de controle-voorschriften had overtreden. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 10 december 1996, 94/71, het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bevestigd bij uitspraak van 1 juli 1998, 97/796 ZW.

2. Appellant heeft bij brief van 27 oktober 2009 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend. Daarbij heeft hij gesteld ernstig ziek te zijn en niet in staat te zijn tot enige activiteit. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant een verklaring overgelegd van psychiater dr. Ech-Cherif El Kettani Said van 26 september 1995 inhoudende dat appellant sinds 1994 in behandeling is voor chronische dysthymie. Voorts heeft appellant een algemene brief van de Riagg [R. ] van oktober 1990 en een afspraakbevestiging voor het spreekuur van 20 december 1990 overgelegd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 december 2009 geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant vanaf 21 november 1990 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in een rapport van 10 mei 2010 gewezen op de in overweging 1 vermelde uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarin is bevestigd dat appellant ingaande 13 februari 1991 geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Voorts merkte Koek op dat de brief van de in overweging 2 vermelde psychiater, gezien het aanvangstijdstip van de behandeling in 1994, niet ziet op de psychische toestand van appellant op en na 13 februari 1991 en dat de daarin vermelde behandeling in Nederland in 1990 voor psychische klachten destijds geen reden is geweest voor aanname van arbeidsongeschiktheid. Hierna verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 december 2009 bij besluit van 28 juni 2010 ongegrond, zij het dat werd beslist dat appellant vanaf 19 september 1990 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

4.1. In beroep tegen het besluit van 28 juni 2010 (bestreden besluit) heeft appellant gesteld dat na zijn vertrek destijds naar [A. ] zijn gezondheidstoestand daar is verslechterd en dat hij zich steeds bij de CNSS ziek heeft gemeld. Voorts stelde hij nog steeds ziek te zijn, niet te kunnen werken en ten onrechte door het Uwv niet te zijn onderzocht. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant een groot aantal (medische) gegevens uit [A. ] overgelegd.

4.2. De rechtbank heeft na schorsing van het onderzoek op haar zitting van 15 april 2011 het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op de in 4.1 vermelde gegevens. Bezwaarverzekeringsarts Koek heeft in een rapport van 5 mei 2011 vermeld dat de door appellant overgelegde medische gegevens inhouden bewijzen van medische controle bij Guennoun op een aantal data vanaf 12 februari 1991 tot en met 25 augustus 1992, een aantal verklaringen van de behandelende arts uit de periode van 6 juli 1991 tot en met 26 september 1995 en een aantal recepten uit de periode van 10 augustus 1991 tot en met 3 juni 1994. Voorts heeft Koek in haar beoordeling betrokken medische rapporten in bezit van het Uwv van Guennoun van 12 februari 1991, 12 maart 1991 en 11 april 1991, verklaringen van de behandelende arts van 12 februari 1991 en 13 maart 1991 en een recept. Koek vermeldde dat de ziekmelding bij de CNSS van 12 februari 1991 rhinitis- en psychische klachten betrof en dat de latere stukken steeds op deze ziektebeelden zien. Zij concludeerde dat er na 13 februari 1991, de datum met ingang waarvan appellant hersteld is verklaard, wat door de rechtbank Utrecht in beroep na raadpleging van een deskundige werd bevestigd, geen aanwijzingen zijn voor een wezenlijke wijziging in de aard en ernst van de medische situatie van appellant.

4.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.4. De rechtbank heeft op basis van de beschikbare medische gegevens - en ondanks het feit dat het voor het Uwv en haar niet meer te achterhalen bleek wat de uitslag van het hoger beroep tegen de in overweging 1 vermelde uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 december 1996 was - geconcludeerd dat appellant met ingang van 13 februari 1991 niet (meer) arbeidsongeschikt was en dat daarom zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 19 september 1990 derhalve niet onafgebroken 52 weken heeft geduurd. Zij heeft voor deze conclusie gewezen op de beoordeling van de beschikbare medische gegevens door Koek in haar rapport van 5 mei 2011.

5. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald.

6.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor onjuist te houden. Ook de Raad heeft geen aanknopingspunten gezien om de conclusie van Koek over de betekenis van de beschikbare medische gegevens, waaronder de door appellant in beroep overgelegde stukken, voor onjuist te houden. Er zijn op basis van de beschikbare medische gegevens, zoals die door Koek zijn gewogen en beoordeeld, ook geen aanwijzingen dat appellant, los van een conclusie op grond van de ZW over de geschiktheid voor zijn werk op 13 februari 1991, vanaf 19 september 1990 de toen op grond van de WAO geldende wachttijd van 52 weken heeft volgemaakt. De Raad tekent daarbij nog aan dat, zoals de rechtbank in feite al aangaf, volgens zijn vaste rechtspraak in het geval van het indienen van een aanvraag op een laat tijdstip met een terugwerkende kracht naar een periode in een (ver) verleden het risico van het ontbreken van alle voor een juiste beoordeling relevante gegevens voor rekening van de betrokkene is.

6.2. De Raad merkt nog op dat hij in zijn aan het slot van overweging 1 vermelde uitspraak van 1 juli 1998 - welke aan deze uitspraak is gehecht - de meergenoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht heeft bevestigd, zij het dat hij daarbij heeft daargelaten of appellant op 13 februari 1991 op medische gronden ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid, omdat hij oordeelde dat appellant op die datum in elk geval medisch in staat kon worden geacht naar Nederland te reizen voor een medische controle.

6.3. Overweging 6.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) M.R. Schuurman