Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
11-420 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens redenen van gewichtige aard: toekenning garantie-uitkering. De rechtbank heeft in aanvulling op de garantie-uitkering een bedrag van € 5.000,- redelijk geacht. De Raad stelt vast dat de gebeurtenissen die hebben geleid tot de verstoorde verhoudingen niet het gevolg zijn geweest van actief handelen van appellante. Voorts is uit de gedingstukken niet af te leiden dat de stichting op enig moment heeft getracht tot een herstel van de verstoorde verhoudingen te komen. Door niet juist te reageren op het conflict met H en op het ‘borstenincident’, appellante in een vroeg stadium te schorsen, en haar niet te kennen in het logboek heeft de stichting de verhoudingen onnodig op scherp gezet en in belangrijke mate bijgedragen aan de ontstane situatie. De Raad komt tot het oordeel dat appellante met de aan haar toegekende vergoeding tekort is gedaan.

Er is geen ruimte om het gegeven dat appellante al snel een andere baan had bij de vaststelling van de hoogte van de ontslagvergoeding te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/420 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 december 2010, 10/785 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Stichting Openbaar Onderwijs [naam stichting] (stichting)

Datum uitspraak 6 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Aarts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2012. Appellante is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Aarts. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat, en R..

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was sinds 1 februari 2002 als groepsleerkracht aangesteld bij de stichting. Tot 12 december 2006 was zij werkzaam op basisschool [naam basisschool 1] te [vestigingsplaats 1]. Naar aanleiding van een conflict is appellante met ingang van 13 december 2006 overgeplaatst naar basisschool [naam basisschool 2] in [plaatsnaam 2]. In het eerste half jaar van 2007 heeft appellante een verplicht coachingstraject gevolgd dat zij met succes heeft afgesloten.

1.2. Op 20 april 2009 heeft appellante een functioneringsgesprek gehad met de directeur. Daarin is onder meer besproken dat appellante haar draai in de groep goed heeft gevonden, maar dat zij moeite heeft met de benadering door de collega’s in het team. Bij brief van 30 juni 2009 heeft de stichting appellante uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van een bericht van de directeur over het functioneren van appellante. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 2 juli 2009. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat appellante een tweetal uitlatingen wordt verweten: de directeur zou mensen beoordelen op hun uiterlijk en niet op hun kwaliteit en de directeur zou een opmerking over de borsten van appellante hebben gemaakt onder mogelijke invloed van drank of pillen (‘het borstenincident’). Daarnaast is vermeld dat sprake is van een conflict tussen appellante en collega H. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de stichting de administrateur van de stichting opdracht gegeven te onderzoeken of er sprake is van een vertrouwensbreuk en - indien dat het geval is - welke consequenties dat heeft voor de samenwerking binnen het team.

1.3. De stichting heeft appellante bij brief van 7 juli 2009 meegedeeld voornemens te zijn haar bij wijze van ordemaatregel te schorsen in afwachting van de resultaten van het onderzoek. Daarover heeft appellante haar zienswijze kenbaar gemaakt. Bij besluit van 29 juli 2009 heeft de stichting appellante voor de duur van ten hoogste drie maanden geschorst.

1.4. Het onderzoeksrapport is bij brief van 26 oktober 2009 aan appellante aangeboden. In het rapport is geconcludeerd dat er sprake is van een diepgaande en veel omvattende vertrouwensbreuk en is geadviseerd de aanstelling van appellante te beëindigen. Vervolgens is de schorsing bij besluit van 9 november 2009 met drie maanden verlengd. Appellante heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5. Bij brief van 1 december 2009 heeft de stichting aan appellante meegedeeld voornemens te zijn haar met ingang van 1 maart 2010 ontslag te verlenen wegens onverenigbaarheid van karakters. Daarover heeft appellante haar zienswijze kenbaar gemaakt. Bij besluit van 17 december 2009 is appellant met ingang van 1 maart 2010 ontslag verleend op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO Primair Onderwijs 2009 wegens redenen van gewichtige aard.

1.6. Bij besluit van 17 februari 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2009 ongegrond verklaard onder toekenning van een garantie-uitkering. Daarnaast heeft de stichting aan appellante een outplacement of ander begeleidingstraject aangeboden tot een maximum van € 6.450,- exclusief BTW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover de stichting daarbij aan appellante geen aanvullende uitkering heeft toegekend. De rechtbank is van oordeel dat de stichting bevoegd was om appellante ontslag te verlenen wegens redenen van gewichtige aard, maar daarbij niet heeft kunnen volstaan met het toekennen van een garantie-uitkering. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de stichting een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. De rechtbank heeft in aanvulling op de garantie-uitkering een bedrag van € 5.000,- redelijk geacht en heeft dit bedrag met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan appellante toegekend.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank niet heeft kunnen volstaan met de toekenning van een bedrag van € 5.000,- nu de stichting in meer dan aanzienlijke mate een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen, terwijl appellante geen substantiële bijdrage aan het geheel heeft gehad. Dat betekent volgens appellante dat, wetende dat er geen sprake hoeft te zijn van een volledige schadevergoeding, een bedrag van € 25.000,- meer in de rede ligt. De stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep is slechts de vraag aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat met de toekenning van een bedrag van € 5.000,- recht is gedaan aan het aandeel van elk der partijen en het ontslag aldus de redelijkheidstoets kan doorstaan.

4.2. De Raad leidt uit het verslag van het functioneringsgesprek van 20 april 2009 af dat appellante een goed functionerende leerkracht is die goed in de groep ligt. Wel is gesproken over de houding van het team, maar niet is gebleken dat om die reden bij appellante verbeterpunten zijn vastgesteld. Voorts stelt de Raad vast dat in een tijdsbestek van slechts twee maanden het oordeel over het functioneren van appellante volledig is gewijzigd.

4.3. Uit het verslag van het functioneringsgesprek van 20 april 2009 blijkt dat met appellante besproken is dat zij moeite had met de bemoeienis van haar collega H, tevens ouder van één van haar leerlingen, met haar groep. Blijkens dat verslag heeft de directeur de oplossing van dit conflict volledig bij appellante en H neergelegd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het op de weg had gelegen van de directeur om appellante te hulp te schieten om het conflict op te lossen. De aanwezigheid in haar klas van een kind van H rechtvaardigde op zichzelf beschouwd immers geen enkele vorm van bemoeienis met die groep door H als leerkracht. Door zich buiten het conflict te houden heeft de directeur de situatie te veel op zijn beloop gelaten met het risico van verdere escalatie. In plaats van appellante te hulp te komen heeft de directeur er voor gekozen om op eigen initiatief en buiten appellante om bij collega’s navraag te doen over het functioneren van appellante en heeft hij de reacties neergelegd in een logboek. Ook daarna heeft hij in het gesprek met appellante en H, toen dit van de zijde van H escaleerde, niet getracht om tot een herstel van de verhoudingen te komen, maar ervoor gekozen om appellante te confronteren met de reacties van de collega’s. Door deze handelwijze heeft de directeur de positie van appellante in het team bepaald ondermijnd en de samenwerking in het team verder bemoeilijkt.

4.4. Uit de verslagen over het ‘borstenincident’ blijkt dat appellante dit niet zelf de directeur voor de voeten heeft geworpen. Ook ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat zij hierover met een collega heeft gesproken, en ervoor had gekozen om er verder niets mee te doen. Dat het toch onderwerp van gesprek is geworden, komt doordat de bewuste collega het verhaal aan de directeur heeft verteld, waarna de directeur appellante ermee heeft geconfronteerd. Wellicht heeft appellante in dat gesprek met de directeur niet handig gereageerd, maar de vraag is of de reactie zodanig was dat dit tot een onherstelbare vertrouwensbreuk zou moeten leiden. Uit het logboek van de directeur blijkt dat het bewuste gesprek met appellante zonder veel emoties is verlopen. De directeur is pas na het gesprek tot de conclusie gekomen dat het vertrouwen in een goede samenwerking met appellante niet meer bestond. In het gesprek van 2 juli 2009 heeft de stichting zich vervolgens vrijwel direct aan de kant van de directeur geschaard en is zij al vroeg tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een volledige vertrouwensbreuk, zonder dat vooraf onderzoek is gedaan naar de juiste versie van het incident. Dat de administrateur van de stichting nadien een onderzoek heeft verricht, wat daar ook van zij, doet daaraan niet af.

4.5. De Raad stelt vast dat de gebeurtenissen die hebben geleid tot de verstoorde verhoudingen niet het gevolg zijn geweest van actief handelen van appellante. Voorts is uit de gedingstukken niet af te leiden dat de stichting op enig moment heeft getracht tot een herstel van de verstoorde verhoudingen te komen. Door niet juist te reageren op het conflict met H en op het ‘borstenincident’, appellante in een vroeg stadium te schorsen, en haar niet te kennen in het logboek heeft de stichting de verhoudingen onnodig op scherp gezet en in belangrijke mate bijgedragen aan de ontstane situatie.

4.6. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen dat de stichting een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Nu is gebleken dat het aandeel van appellante in de ontstane situatie klein is geweest, komt de Raad tot het oordeel dat appellante met de aan haar toegekende vergoeding tekort is gedaan. Het hoger beroep van appellante slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank aan appellante een bedrag van slechts € 5.000,- heeft toegekend. De Raad zal, zelf in de zaak voorziend, aan appellante een bedrag van € 15.000,- toekennen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het volgens vaste rechtspraak bij een vaststelling van een vergoeding als hier aan de orde niet om een volledige schadevergoeding gaat, maar om compensatie voor het aandeel van het bestuursorgaan. Om die reden is er, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen ruimte om het gegeven dat appellante al snel een andere baan had bij de vaststelling van de hoogte van de ontslagvergoeding te betrekken.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de stichting op grond van 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan appellante een aanvullend bedrag

van € 5.000,- is toegekend;

- kent appellante in aanvulling op de uitkeringsregeling in het bestreden besluit een bedrag toe

van € 15.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van dat besluit;

- veroordeelt de stichting in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag

van € 874,-;

- bepaalt dat de stichting aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 224,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

De griffier is buiten staat te tekenen

HD