Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
10-2475 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand: schending inlichtingenverplichting. Niet in geschil is dat appellante en haar partner in de te beoordelen periode op de door hen ingeleverde en ondertekende periodieke verklaringen geen mededelingen hebben gedaan van de periodiek ontvangen leningen van de vader en de oom. De aangevoerde omstandigheden, de mededelingen gedaan bij de aanvraag en de omstandigheid dat haar te hoge woonlasten niet waren veranderd, leiden niet tot de conclusie dat het college wist dat de leningen werden voortgezet. Appellante en haar partner waren zelf gehouden het college inzicht te geven in hun inkomens- en vermogenssituatie. Appellante heeft ten aanzien van 11 van de 15 schuldbekentenissen aannemelijk gemaakt dat het leningen betreft met een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het college heeft ten onrechte de overschrijvingen van de vader en de oom die verband houden met de onder 4.6.1 genoemde schuldbekentenissen als middelen heeft aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2475 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 maart 2010, 09/1425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak 11 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.B. Keus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Merken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 9 januari 2003 heeft het college aan appellante en haar toenmalige partner [naam partner] (partner) bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden met ingang van 19 december 2001. Appellante was eigenaar van de door hen bewoonde woning. Daarop rustten twee hypotheken, waarvan één gekoppeld aan een levensverzekering en een spaarregeling. Tijdens de aanvraagperiode hebben appellante en haar partner melding gemaakt van leningen tot een bedrag van f. 20.000,-- die zij van de vader (vader) en een oom (oom) van appellante hadden ontvangen om de hypotheeklasten te kunnen voldoen en gedwongen verkoop te voorkomen. Het college heeft bij die aanvraag onderzoek gedaan naar de vraag of bijstand verleend zou kunnen worden in de vorm van een krediethypotheek. Dit bleek niet mogelijk omdat er geen overwaarde was. In een gesprek naar aanleiding van de aanvraag heeft de bijstandsconsulent met appellante en de partner besproken dat de woonlasten onevenredig hoog zijn en dat zij een woonkostentoeslag kunnen ontvangen als zij zich laten inschrijven als woningzoekenden. Appellante en de partner zijn blijven wonen in de woning. Met ingang van 13 november 2003 heeft appellante bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft de bijstand met ingang van 1 januari 2008 beëindigd omdat met ingang van die datum aan appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) wordt verstrekt.

1.2. Bij de aanvraag om bijstand op grond van de WWIK heeft appellante meegedeeld dat zij een schuld had bij haar vader tot een bedrag van € 70.000,-- en bij haar oom tot een bedrag van € 80.000,--. Zij heeft daarover verklaard dat zij in de afgelopen jaren geld van haar familie heeft geleend om te kunnen voorzien in haar levensonderhoud, waaronder de betaling van de hypotheeklasten. Naar aanleiding van deze mededelingen heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Maastricht een fraudeonderzoek ingesteld. Daarbij heeft hij dossieronderzoek verricht en bankafschriften van appellante opgevraagd. Hij heeft appellante en haar partner verhoord en haar vader en de bijstandsconsulent R.H.L. Theunissen als getuigen gehoord. De oom kon wegens medische redenen niet als getuige worden gehoord. De resultaten van dit onderzoek heeft de sociaal rechercheur neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van 30 juli 2008.

1.3. Bij besluit van 18 september 2008 heeft het college op basis van dit rapport de bijstand ingetrokken over de periode van 19 december 2001 tot en met 31 december 2007. Bij dat besluit heeft het college ook de kosten van ten onrechte verleende bijstand over de periode van 19 december 2001 tot 13 november 2003 (periode I) tot een bedrag van € 26.376,08 van appellante en de partner teruggevorderd en over de periode van 13 november 2003 tot en met 31 december 2007 tot een bedrag van € 59.170,69 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 2 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 september 2008 deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de grond - samengevat - dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de leningen van haar familie en dat deze leningen, gelet op het periodieke karakter en bestemming daarvan, als inkomen moeten worden aangemerkt. Omdat deze leningen geen betrekking hadden op het jaar 2001, heeft het college de bijstand niet ingetrokken over de periode van 19 tot en met 31 december 2001 en de terugvordering over periode I beperkt tot een bedrag van € 25.890,72.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat de leningen voor toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB) niet als schulden kunnen worden aangemerkt omdat een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting ontbreekt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. In het voordien geldende artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Awb) was dezelfde verplichting opgenomen.

4.2. Niet in geschil is dat appellante en haar partner in de te beoordelen periode, die hier loopt van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2007, op de door hen ingeleverde en ondertekende periodieke verklaringen geen mededelingen hebben gedaan van de periodiek ontvangen leningen van de vader en de oom. Evenmin is in geschil dat deze informatie van belang is voor beoordeling van het recht op bijstand.

4.3. Appellante betoogt dat het college wist dat appellante in de te beoordelen periode leningen van haar familie ontving. Gelet op hetgeen zij had meegedeeld in het kader van haar aanvraag en de omstandigheid dat haar te hoge woonlasten niet waren veranderd, wist het college dat de leningen van de familie werden voortgezet. Dit betoog faalt omdat de aangevoerde omstandigheden niet onontkoombaar tot die conclusie leiden en appellante en de partner op grond van de onder 4.1 genoemde verplichting zelf gehouden waren het college inzicht te geven in hun inkomens- en vermogenssituatie. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college op andere wijze van de leningen op de hoogte is geraakt. Hiervoor is geen grondslag in het dossier aanwezig en de bijstandsconsulent heeft in zijn verklaring tegenover de sociaal rechercheur ontkend met de leningen bekend te zijn. Dit voert tot de conclusie dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het hoger beroep in zoverre faalt.

4.4. Appellante heeft in de te beoordelen periode op bij het college bekende bankrekeningen door periodieke overschrijvingen van de vader en de oom een bedrag ontvangen van in totaal € 116.095,--. Ter zitting van de Raad heeft het college erkend dat deze bedragen als lening zijn verstrekt. Het college heeft echter volgehouden dat deze periodieke stortingen voor toepassing van de Abw en WWB als inkomsten moeten worden aangemerkt, omdat aan deze leningen geen concrete terugbetalingsverplichtingen zijn verbonden.

4.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 januari 2008, LJN BC3798) kunnen schulden slechts in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan daarvan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens komt vast te staan dat aan de schuld ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.6. Appellante heeft in beroep 15 schuldbekentenissen overgelegd tot een totaalbedrag van € 128.345,--.

4.6.1. Appellante heeft ten aanzien van 11 van deze schuldbekentenissen aannemelijk gemaakt dat het leningen betreft met daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het betreft de schuldbekentenissen van 31 december 2005, 10 januari 2007, 25 januari 2007 en 31 december 2007 ter zake van 4 leningen van de vader tot een bedrag van € 12.500,-- en de schuldbekentenissen van 31 december 2002, 2 januari 2004, 2 januari 2004, 13 december 2004, 31 december 2005, 10 januari 2007 en 15 januari 2008 ter zake van 7 leningen van de oom tot een bedrag van € 87.500,--. Daarvoor is van belang dat volgens de tekst van deze schuldbekentenissen vorderingen op grond van de lening opeisbaar worden op 1 januari 2015 en alsdan een afbetalingsverplichting ontstaat of geheel direct opeisbaar worden onder meer bij de verkoop van de woning. In de schuldbekentenissen is vermeld dat deze leningen worden verstrekt in verband met de bovenmatige woonlasten van appellante. Voorts is de rente bepaald op 2 procent en zijn de schuldbekentenissen opgemaakt omstreeks de jaarwisseling.

4.6.2. Deze schuldbekentenissen, die gelet op hun inhoud, plaats, datum en wijze van ondertekening niet kennelijk in één keer zijn opgemaakt, sporen met de verklaringen van de vader, de partner en appellante, zoals die tijdens het onderzoek van de sociaal rechercheur zijn afgelegd. Zo hebben alle betrokkenen verklaard dat de leningen werden verstrekt in verband met de hoge woonlasten, dat dit als een tijdelijke situatie bedoeld was, eerst met het oog op de ziekte van de partner en nadien om de kinderen van appellante gedurende een zekere tijd, namelijk tot 1 januari 2015, in hetzelfde huis te kunnen laten opgroeien. Daaraan doet niet af dat de vader, geboren in 1924, ook verklaard heeft “dat de hoofdsom met rente aan mij wordt terugbetaald c.q. wordt verrekend met de nalatenschap”, mede gelet op de leeftijd van de vader en hetgeen onder 4.6.3 ten aanzien van de overige schuldbekentenissen zal worden overwogen. Verder is van belang dat het college geen onderzoek gedaan heeft naar de aard en omvang van de hypotheekverplichtingen van appellante en de samenhang met de periodieke stortingen van de vader en de oom, zodat van de gestelde en in de schuldbekentenissen en verklaringen van de betrokkenen tot uitdrukking komende bedoelingen van betrokkenen met betrekking tot de leningen moet worden uitgegaan. Ten slotte is van belang dat de vader, nadat de woning verkocht was, heeft aangedrongen op terugbetaling van de leningen aan hem en de oom.

4.6.3. De vier overige schuldbekentenissen betreffen leningen van de vader tot een totaal bedrag van € 28.345,-- en dateren van 4 februari 2003, 21 augustus 2004, 16 maart 2007 en 30 november 2007. Deze schuldbekentenissen bevatten geen considerans waarin de reden van de lening is neergelegd, geen renteverplichting en geen bepaalde datum van aflossing of relatie met de verkoop van de woning. Ten aanzien van deze leningen heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een daadwerkelijke aflossingsverplichting. Deze schuldbekentenissen lijken veeleer uitsluitend met het oog op de afwikkeling van een toekomstige nalatenschap te zijn opgemaakt.

4.7. Hetgeen onder 4.6 is overwogen voert tot de conclusie dat het college ten onrechte de overschrijvingen van de vader en de oom die verband houden met de onder 4.6.1 genoemde schuldbekentenissen als middelen heeft aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.8. De Raad ziet geen geschikte wijze van finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik. Door het beperkte onderzoek van de sociaal rechercheur en het ontbreken van overzichten van de overschrijvingen van de vader en de oom, is thans in het geheel niet vast te stellen over welke maanden de bijstand van appellante en de partner herzien of ingetrokken moet worden in verband met de leningen van de vader genoemd onder 4.6.3, die wel tot de middelen gerekend moeten worden. Ook het totaalbedrag van de overschrijvingen in de te beoordelen periode genoemd in 4.2 spoort niet met totaalbedrag van de leningen van de vader en de oom genoemd onder 4.6. Bij die stand van zaken kan de Raad niet zelf voorzien in de zaak. Van belang is voorts dat het inhoudelijke geschil tussen partijen met deze uitspraak is beslecht. De bevoegdheid tot herziening dan wel intrekking van bijstand met betrekking tot leningen die tot de middelen moeten worden gerekend, de uitoefening van die bevoegdheid, noch de bevoegdheid tot terugvordering in verband daarmee of de uitoefening van die bevoegdheid zijn bestreden. Daarom zal de Raad het college opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient het college slechts de overschrijvingen van de vader samenhangende met de onder 4.6.3 genoemde leningen als middelen aan te merken en die onder 4.6.1 voor bijstandsverlening buiten beschouwing te laten. Op basis daarvan zal een verdere uitwerking, leidende tot herziening en/of intrekking van bijstand over bepaalde maanden, en vervolgens tot berekening van terugvordering naar verwachting tussen partijen geen moeilijkheden opleveren.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 2 juli 2009;

-bepaalt dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.081,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. de Jong

HD