Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
12/1825 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag: inkomen hoger dan de bijstandsnorm. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het standpunt van het college dat appellant in (een substantieel gedeelte van) de referteperiode heeft beschikt over een maandinkomen dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm, feitelijk onjuist is. Appellant heeft bij zijn aanvraag weliswaar een maandinkomen aan WAO-uitkering opgegeven dat € 40,-- lager ligt dan het bedrag waarvan het college is uitgegaan, maar dat wordt veroorzaakt door op de WAO-uitkering van appellant tot dat bedrag gelegd beslag. Het college heeft terecht met dat beslag geen rekening gehouden bij de bepaling van het netto-maandinkomen van appellant. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het enkele feit dat het maandinkomen van appellant slechts in geringe mate hoger is geweest dan de bijstandsnorm in dit geval, waarin het inkomen structureel hoger is, geen grond oplevert om af te wijken van de Verordening. Dat zou wellicht anders kunnen liggen in gevallen waarin sprake is van een in de referteperiode voorkomende incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 36.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1825 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 februari 2012, 11/1328 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

Datum uitspraak 31 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en appellant hebben de Raad bij brief van 15 juni 2012 respectievelijk 16 juni 2012 toestemming gegeven voor het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 22 augustus 2011 heeft het college de aanvraag van appellant van 22 augustus 2011 om een langdurigheidstoeslag op de volgende grond afgewezen: “Uw huidige inkomen is hoger of is in de afgelopen periode van 36 maanden hoger geweest dan de bijstandsnorm die voor u geldt (Verordening langdurigheidstoeslag).”

1.2. Bij besluit van 29 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), zoals dat luidde ten tijde in geding, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.2. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, respectievelijk artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag en hebben deze regels in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

4.3. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening Langdurigheidstoeslag 2009 (verordening) heeft de gemeenteraad bepaald, voor zover hier van belang, dat voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking komt degene die gedurende de in de verordening geregelde referteperiode aangewezen is op een inkomen per maand dat niet hoger is dan de bijstandsnorm.

4.4. Niet in geschil is dat de WAO-uitkering van appellant vanaf 1 juli 2011 hoger was dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant betwijfelt of hetzelfde geldt voor de daaraan voorafgaande tijdvakken. Dat is, bij vergelijking van het door appellant vermelde inkomen uit WAO-uitkering per 1 januari 2010, 1 juli 2010 en 1 januari 2011 met de per die data voor hem geldende bijstandsnorm, wel steeds het geval. Bij die vergelijking is telkens uitgegaan van netto-bedragen, exclusief vakantietoeslag. De gedingstukken bieden ook overigens geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het standpunt van het college dat appellant in (een substantieel gedeelte van) de referteperiode heeft beschikt over een maandinkomen dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm, feitelijk onjuist is. Appellant heeft bij zijn aanvraag weliswaar een maandinkomen aan WAO-uitkering opgegeven dat € 40,-- lager ligt dan het bedrag waarvan het college is uitgegaan, maar dat wordt veroorzaakt door op de WAO-uitkering van appellant tot dat bedrag gelegd beslag. Het college heeft terecht met dat beslag geen rekening gehouden bij de bepaling van het netto-maandinkomen van appellant.

4.5. Het college is gehouden bij de beoordeling van aanvragen om langdurigheidstoeslag de verordening te hanteren. Uit de gedingstukken blijkt dat het college artikel 2, eerste lid, van de verordening strikt toepast, mede in aanmerking genomen dat de gemeenteraad geen regeling heeft gegeven voor gevallen - zoals dat van appellant - waarin sprake is van een maandinkomen dat de bijstandsnorm slechts in geringe mate overschrijdt.

4.6. Het college is bevoegd in bijzondere gevallen ten gunste van de betrokkene af te wijken van de bepalingen van de verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Appellant stelt zich op het standpunt dat daarvan sprake is. Het WAO-inkomen van appellant is over de in 4.4 genoemde tijdvakken maandelijks hoger dan de bijstandsnorm tot een bedrag variërend van € 5,-- tot € 8,--.

4.7. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het enkele feit dat het maandinkomen van appellant slechts in geringe mate hoger is geweest dan de bijstandsnorm in dit geval, waarin het inkomen structureel hoger is, geen grond oplevert om, met toepassing van de hardheidsclausule, af te wijken van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de verordening. Binnen het kader van deze bepaling is dat immers op zichzelf geen (zeer) bijzondere omstandigheid. Dat zou wellicht anders kunnen liggen in gevallen waarin sprake is van een in de referteperiode voorkomende incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen (eurocenten). In hetgeen appellant over zijn financiële situatie naar voren heeft gebracht, is evenmin voldoende grondslag gelegen voor het oordeel dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, aan appellant een langdurigheidstoeslag had behoren toe te kennen.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) R. Scheffer

HD