Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
11-6909 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW: niet zodanig beperkt door zijn psychische klachten in zijn uithoudingsvermogen dat appellant daardoor ongeschikt is voor zijn werk als schoonmaker. Het werk van appellant beperkte zich aanvankelijk tot het schoonhouden van de kantoren, kleedruimtes en kantines. Uit eigen beweging maakte appellant ook wel de gangpaden/looppaden in de fabrieksruimte schoon met een elektrische schrobmachine. Deze machine beweegt uit zichzelf naar voren en wordt, er achteraan lopend, door de bediener gestuurd. De veegmachine/schoonmaakwagen werd door appellant niet gebruikt en mocht alleen door het eigen personeel bediend worden. Uit de bij het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige gevoegde functieomschrijvingen blijkt genoegzaam dat bij soortgelijke werkgevers evenmin de hele dag schoonmaakmachines moesten worden bediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6909 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 oktober 2011, 10/1253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 juli 2012 heeft mr. Bink een tweetal verklaringen overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brink.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als schoonmaker. Na het einde van zijn arbeidsovereenkomst is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verleend. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellant zich op 31 december 2009 ziek gemeld met stress- en slaapklachten, waarna hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is verstrekt.

1.2. Op 9 maart 2010 is appellant door de (bedrijfs)arts P. van Hartingsveldt onderzocht. In zijn rapport van 9 maart 2010 concludeert deze arts dat appellant door zijn psychische klachten niet zodanig beperkt is in zijn uithoudingsvermogen dat hij daardoor - nog langer - ongeschikt is voor zijn werk als schoonmaker. Bij besluit van 9 maart 2010 is appellant met ingang van 10 maart 2010 (verdere) uitkering ingevolge de ZW geweigerd.

1.3. In het kader van de bezwaarprocedure is appellant op 22 april 2010 onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen en is nadere informatie verkregen van de huisarts M.C. Zuidwijk. In haar rapport van 15 juli 2010 concludeert deze bezwaarverzekeringsarts dat de in bezwaar verkregen informatie niet tot een ander standpunt leidt en dat er niet zodanige beperkingen zijn dat appellant buiten staat is om zijn arbeid te verrichten. Bij het bestreden besluit van 19 juli 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit van 19 juli 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat uit het in de beroepsfase door de bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk ingestelde onderzoek naar het werk als schoonmaker, zoals vastgelegd in zijn rapport van 25 januari 2011, blijkt dat het werk van appellant zich aanvankelijk beperkte tot het schoonhouden van de kantoren, kleedruimtes en kantines. Uit eigen beweging maakte appellant ook wel de gangpaden/looppaden in de fabrieksruimte schoon met een elektrische schrobmachine. Deze machine beweegt uit zichzelf naar voren en wordt, er achteraan lopend, door de bediener gestuurd. De veegmachine/schoonmaakwagen werd door appellant niet gebruikt en mocht alleen door het eigen personeel bediend worden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van deze (uitgebreide) omschrijving van het werk van appellant. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om de bevindingen en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Het beroepschrift en het rapport van de medisch adviseur van appellant, verzekeringsarts mr. W.M. van der Boog, van 1 november 2010 leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de medisch adviseur niet heeft gesteld dat appellant in het geheel niet in staat is om rond te rijden op een schoonmaakmachine in een industriële omgeving - zo dit al vereist zou zijn in zijn arbeid -, maar heeft aangegeven dat appellant niet in staat is dit type werk gedurende de hele dag vol te houden. Dit laatste is echter, gezien voornoemd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, niet aan de orde.

3. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

3.1. Het geding spitst zich (ook) in hoger beroep toe op de vraag wat het laatst verrichte werk van appellant als schoonmaker inhield en of, in het geval appellant in dit werk zittend een schoonmaakwagen moest bedienen, appellant dit werk als gevolg van zijn concentratieverlies en vermoeidheid medisch gezien wel zou kunnen verrichten.

3.2. Ook in hoger beroep zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de arbeid van appellant als schoonmaker mede het bedienen van een (industriële) schoonmaakwagen omvatte. Ten overstaan van de bezwaararbeidsdeskundige, zoals vastgelegd in diens rapport van 25 januari 2011, hebben het hoofd administratie en de ploegleider van inlener DST verklaard dat de via schoonmaakbedrijf CGA ingehuurde schoonmaakkrachten, waaronder appellant, geen industriële schoonmakers waren en dat de schoonmaakwagen alleen door het personeel van DST mocht worden bediend. Nadat in beroep door appellant was aangegeven dat het gebruik van de schoonmaakwagen wel degelijk tot zijn takenpakket behoorde, heeft de bezwaararbeidsdeskundige andermaal DST bezocht, zoals neergelegd in zijn rapport van

2 maart 2011. Het hoofd administratie en het hoofd productie van DST hebben tegenover de bezwaararbeidsdeskundige beaamd dat het bedienen van de schoonmaakwagen door schoonmakers absoluut niet aan de orde was en dat, zo dit wel zou zijn gebeurd, dit zonder toestemming van DST is geschied. De door appellant overgelegde summiere schriftelijke verklaringen van 10 april 2012 van een tweetal getuigen, die niet ter zitting van de Raad zijn verschenen om deze verklaringen zonodig desgevraagd nader toe te lichten, doen aan het vorenstaande niet af.

3.3. Uit de bij het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 januari 2010 gevoegde functieomschrijvingen blijkt verder genoegzaam dat bij soortgelijke werkgevers evenmin de hele dag schoonmaakmachines moesten worden bediend. Hiervan uitgaande moet het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven onder 2.2 worden onderschreven.

3.4. Uit het hiervoor onder 3.1 en 3.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Er zijn geen termen aanwezig om te komen tot een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) I.J. Penning

GdJ