Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
10/5478 WWB + 10/5479 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Appellanten kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan delen met hun oudste zoon van 21 jaar die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college toepassing had dienen te geven aan de hardheidsclausule. Appellanten hebben als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat zij vele extra kosten moeten maken in verband met het vervullen van de dienstplicht van appellant in Turkije. Deze extra kosten kunnen op zichzelf niet leiden tot het achterwege laten van de verlaging als bedoeld in artikel 26 van de WWB. Deze kosten betreffen incidentele kosten. Deze kosten leiden niet tot verhoging van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarop de Verordening slechts ziet, en laten onverlet dat appellanten de periodieke terugkerende kosten, zoals huur en vaste lasten, kunnen delen met hun oudste inwonende zoon, zodat gelet op de bedoelingen van de wet en Verordening geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/5478 WWB, 10/5479 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2010, 10/ 581 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 28 augustus 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2012. Voor appellanten is verschenen mr. W. Breure, kantoorgenoot van mr. Welten. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 20 juli 2009 heeft het college de bijstand die appellante op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontving zodanig gewijzigd, dat aan haar met ingang van 26 juli 2009 een toeslag wordt verstrekt van 10% in plaats van 20%. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, vanwege het feit dat haar oudste inwonende zoon op 26 juli 2009 21 jaar is geworden, de noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander.

1.2. Bij besluit van 3 september 2009 heeft het college appellanten vanaf 11 augustus 2009 bijstand op grond van de WWB toegekend naar de norm voor gehuwden en deze bijstand verlaagd met 10% van deze norm op de grond dat zij de noodzakelijke bestaanskosten kunnen delen met een ander.

1.3. Bij besluit van 5 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 20 juli 2009 en 3 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover het ziet op de bezwaren tegen het besluit van 20 juli 2009, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2009 niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Met een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9 van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand (Verordening) hebben zij aangevoerd dat ten gevolge van de vele extra kosten die appellant moet maken in verband met het vervullen van zijn dienstplicht in Turkije de verlaging van hun bijstandsuitkering met 10% leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 26 van de WWB kan het college de norm, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid, onderdelen b en c, en artikel 21, onderdeel c, verlagen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.2. In artikel 8, eerste lid, onder c, van de WWB is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30.

4.3. In artikel 4, eerste en tweede lid, van de Verordening is bepaald dat de verlaging van de norm voor de gehuwden, die hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander die zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, 10% van het netto minimumloon bedraagt. In deze situatie wordt er volgens de toelichting op dit artikel van uitgegaan dat de kosten van het bestaan met een ander kunnen worden gedeeld, waarbij het niet van belang wordt geacht of de uitkeringsgerechtigde de kosten daadwerkelijk deelt.

4.4. In artikel 4, derde lid, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid de verlaging achterwege blijft voor de gehuwden in wier woning uitsluitend hun hoofdverblijf hebben één of meer kinderen van 21 jaar of ouder die geen recht hebben op bijstand, omdat zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

4.5. Artikel 9 van de Verordening geeft het college de mogelijkheid in bijzondere gevallen af te wijken van deze Verordening voor zover toepassing gelet op de bedoelingen van de wet en de Verordening zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.6. Niet in geschil is dat appellanten de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen met hun oudste zoon van 21 jaar die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en dat de in 4.4 genoemde uitzondering hier niet van toepassing is. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het college wegens bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 9 van de Verordening.

4.7. Appellanten hebben als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat zij vele extra kosten moeten maken in verband met het vervullen van de dienstplicht van appellant in Turkije. Deze extra kosten kunnen op zichzelf niet leiden tot het achterwege laten van de verlaging als bedoeld in artikel 26 van de WWB. Deze kosten betreffen incidentele kosten. Deze kosten leiden niet tot verhoging van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarop de Verordening slechts ziet, en laten onverlet dat appellanten de periodieke terugkerende kosten, zoals huur en vaste lasten, kunnen delen met hun oudste inwonende zoon, zodat gelet op de bedoelingen van de wet en Verordening geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

4.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

HD