Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX7033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
10-2924 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Bij een doorzoeking in de woning van appellante door de politie zijn aanzienlijke hoeveelheden geld en goud aangetroffen. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2924 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 april 2010, 09/5339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

Datum uitspraak 4 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mathoerapersad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Mol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 20 januari 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 17 januari 2009 heeft de politie bij een doorzoeking in de woning van appellante aanzienlijke hoeveelheden geld en goud aangetroffen. Appellante is toen aangehouden en gedetineerd. Zij is op 29 januari 2009 door de sociale recherche verhoord. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 17 januari 2009 ingetrokken, omdat zij sinds die datum gedetineerd was.

1.3. Bij besluit van 19 februari 2009 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 20 januari 2005 ingetrokken en de kosten van de over de periode van 20 januari 2005 tot en met 16 januari 2009 aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 67.734,72 van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 23 september 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college primair ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 20 januari 2005 tot en met 16 januari 2009 geen recht heeft op bijstand aangezien zij in die periode heeft beschikt over vermogen dat de op haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt en subsidiair dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van het aanwezige goud en geld en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar niet exact bekend is wat de waarde van het vermogen was op 20 januari 2005, maar dat wel zeker is dat deze waarde hoger ligt dan de toentertijd geldende grens van het vrij te laten vermogen, gelet op de eigen verklaringen van appellante over de waarde van het goud en de hoeveelheid geld die in haar woning is aangetroffen. Het college was derhalve bevoegd de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 20 januari 2005 zonder dat een nauwkeurige vaststelling van het vermogen op die datum had plaatsgevonden. Tevens was het college bevoegd de kosten van bijstand over de periode van 20 januari 2005 tot en met 16 januari 2009 van appellante terug te vorderen.

3.1. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2. Ter zitting van de Raad heeft appellante een girorekeningafschrift overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat op 17 januari 2009 door de politie in de woning van appellante 7 kilogram goud, € 126.130,--, $ 17.296,--, £ 190,-- en 850,-- aan roepia’s is aangetroffen. Evenmin is in geschil dat appellante daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.2. De aanwezigheid van goud en een bedrag aan contanten in de woning van de betrokkene rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit goud en deze contanten bestanddelen vormen van het vermogen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd.

4.3. Appellante heeft niet met objectiveerbare en verifieerbare feiten aangetoond dat het goud en het geld aan anderen toebehoren. De overgelegde, ongedateerde “verklaring omtrent vermogen” van de dochter van appellante, haar partner en de ex-partner van appellante kan, bij gebreke van enige objectieve en verifieerbare onderbouwing, niet leiden tot de conclusie dat het grootste deel van het geld en twee kilogram van het goud aan hen toebehoorde en niet aan appellante en dat appellante daarover niet beschikte of redelijkerwijs niet heeft kunnen beschikken. Met de overgelegde bankrekeningafschriften van de dochter van appellante is niet aangetoond dat bedragen van in totaal € 10.850,-- , die van de desbetreffende rekening zijn opgenomen, vervolgens ter bewaring in de woning van appellante zijn ondergebracht. Het ter zitting overgelegde afschrift van 3 november 2006 van de girorekening van [J.], de partner van appellantes dochter, waarop een bedrag van € 143.679,78 staat bijgeschreven inzake een teruggave van de Belastingdienst, leidt niet tot een ander oordeel. Met dit afschrift is immers geenszins aangetoond dat, zoals appellante stelt, [J.] van dit bedrag een bedrag van € 75.000,-- heeft afgezonderd en dat bedrag vervolgens in een koffer in de woning van appellante heeft ondergebracht. Ten slotte is op geen enkele wijze onderbouwd dat enkele kilogrammen goud toebehoorden aan twee zonen van appellante en dat een bedrag van € 2.500,-- toebehoorde aan de inwonende dochter van appellante.

4.4. De waarde van wat op 17 januari 2009 in de woning van appellante aan vermogen in de vorm van geld en goud is aangetroffen ligt ruimschoots boven de destijds voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen. Gezien de omvang van dit vermogen en gelet op wat appellante daarover tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft verklaard, heeft de rechtbank op goede gronden aangenomen dat dit ook al het geval was op 20 januari 2005. Hierbij is van belang dat appellante heeft verklaard dat zij sinds 2001 het goud heeft verzameld. Het goud werd door haar pleegbroer in delen naar Nederland gebracht en was afkomstig van haar inmiddels overleden vader. Tegen de achtergrond daarvan is niet aannemelijk dat appellante het gehele vermogen pas in 2007 of 2008 heeft verkregen, zoals zij ter zitting van de Raad nog heeft betoogd. Dat betekent dat appellante over de gehele in geding zijnde periode geen recht had op bijstand.

4.5. Door bij het college geen melding te maken van de hiervoor vermelde, in haar woning aanwezige vermogensbestanddelen, heeft appellante haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Deze schending heeft met zich gebracht dat aan haar over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 20 januari 2005 in te trekken. Anders dan appellante stelt, hoefde het college niet eerst de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek af te wachten. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een mogelijk strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.6. Uit 4.5 vloeit voort dat tevens aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

4.7. Het college voert het beleid steeds over te gaan tot gehele terugvordering van ten onrechte verleende bijstand, tenzij sprake is van dringende redenen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 29 maart 2005, LJN AT2869) zijn dringende redenen slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Wat appellante heeft aangevoerd, namelijk dat zij door de terugvordering gedurende lange tijd van een inkomen onder de bijstandsnorm zal moeten leven, leidt niet tot het aannemen van dringende redenen als hiervoor bedoeld. Daarbij is van belang dat bij de terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan blijven beschikken.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD