Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX6975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
11-577 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Toelating tot de doelgroep in het kader van de WSW heeft geen rechtstreekse betekenis voor de vraag of aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA.Gegevens die in het kader van de WSW worden verkregen kunnen wel worden gebruikt in het kader van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid. In het geval van appellante waren de WSW gegevens te gedateerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft ongemotiveerd het standpunt ingenomen dat er bij appellante geen aanwijzing is dat zij niet acht uur per dag zou kunnen functioneren in bezigheden die voldoen aan de voorwaarden zoals weergegeven in de Functionele mogelijkhedenlijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/577 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 december 2010, 09/1707 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kleyn van Willigen. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is sinds 1 november 1997 in dienst van [werkgever] in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Vanaf 1 juli 1998 is zij werkzaam als schoonmaakster voor 36 uur per week. Daarnaast trad appellante incidenteel op als zangeres. Op 25 april 2006 is appellante betrokken geweest bij een auto-ongeluk. Na eerdere perioden waarin appellantewegens ziekte haar werk geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, is zij met ingang van 6 november 2006 ziek gemeld voor 16 uur per week.

1.2. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat appellante met ingang van 3 november 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 15 juni 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante onder meer haar visie herhaald dat het Uwv had moeten onderzoeken of een functieduiding wel op zijn plaats was, gelet op het feit dat zij slechts werkzaam kan zijn in een beschutte omgeving. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante diverse stukken in geding gebracht die in 1994 ten grondslag zijn gelegd aan het WSW-indicatiebesluit. Verder heeft appellante gesteld dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen omdat zij niet meer dan 20 uur per week arbeid kan verrichten. In dat verband heeft appellante gewezen op het feit dat zij heeft hervat in haar WSW-arbeid voor 20 uur per week en dat zij niet in staat is gebleken het aantal te werken uren per week uit te breiden. Appellante heeft in de beroepsfase een afschrift van haar verzuimdossier ingestuurd, waarin zich diverse stukken bevinden met betrekking tot haar re-integratie in de periode van 2006 tot 2009.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad heeft toelating tot de doelgroep in het kader van de WSW geen rechtstreekse betekenis voor de vraag of aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zowel de aard als de doelstelling van beide wetten verzetten zich daartegen. Dat betekent echter niet dat gegevens die in het kader van de WSW worden verkregen niet zouden kunnen worden gebruikt in het kader van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid of dat daaraan geen enkele betekenis toekomt.

4.3. Gelet op de omstandigheid dat de door appellante in geding gebrachte gegevens met betrekking tot de WSW-indicatie dateren uit 1994, kan in dit geval aan die gegevens niet de betekenis toekomen die appellante daaraan toegekend wenst te zien. Daarvoor zijn de gegevens te gedateerd.

4.4. In reactie op de vraag van de Raad op welke wijze de gegevens uit het verzuimdossier van appellante uit de periode 2006 tot 2009 zijn betrokken bij de afweging om al dan niet een urenbeperking vast te stellen, heeft het Uwv bericht dat de bezwaarverzekeringsarts W.H. van Leeuwen geen medische aanleiding ziet om tot het vaststellen van een urenbeperking over te gaan. Van Leeuwen heeft te kennen gegeven dat hij in zijn rapportage van 18 mei 2009 heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding is voor een urenbeperking, dat hij kennis heeft genomen van de stukken met betrekking tot de re-integratie en dat hij het niet noodzakelijk vindt om een andere reactie te geven dan de reactie die hij heeft gegeven in zijn rapport van 14 april 2010.

4.5. In zijn rapport van 18 mei 2009 heeft Van Leeuwen ongemotiveerd het standpunt ingenomen dat er bij appellante geen aanwijzing is dat zij niet acht uur per dag zou kunnen functioneren in bezigheden die voldoen aan de voorwaarden zoals weergegeven in de Functionele mogelijkhedenlijst. Van Leeuwen heeft wel een uitvoerig betoog opgesteld over de drie indicaties voor een urenbeperking maar daaraan slechts ongemotiveerd de conclusie verbonden dat de door hem beschreven aspecten naar zijn mening bij appellante niet in een dusdanig ernstige mate aanwezig zijn om een urenbeperking aan te nemen. In zijn reactie van 14 april 2010 heeft Van Leeuwen geen enkele opmerking gemaakt over de geclaimde urenbeperking en is hij slechts ingegaan op het aanstellingsonderzoek uit mei 1994.

4.6. Gelet op de overwegingen in 4.4 en 4.5 kan slechts de conclusie worden getrokken dat de beslissing om geen urenbeperking op te nemen niet is gemotiveerd. Het bestreden besluit kan om die reden dan ook geen stand houden.

5. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de beslissing op bezwaar van 15 juni 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) I.J. Penning